Spreuken 24:26

Statenvertaling (States Bible)

Men zal de lippen kussen desgenen, die rechte woorden antwoordt.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 25:11-12 : 11 Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen. 12 Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud.
  • Dan 2:46-48 : 46 Toen viel de koning Nebukadnezar op zijn aangezicht, en aanbad Daniel; en hij zeide, dat men hem met spijsoffer en liefelijk reukwerk een drankoffer doen zou. 47 De koning antwoordde Daniel en zeide: Het is de waarheid, dat ulieder God een God der goden is, en een Heere der koningen, en Die de verborgenheden openbaart, dewijl gij deze verborgenheid hebt kunnen openbaren. 48 Toen maakte de koning Daniel groot, en hij gaf hem vele grote geschenken, en hij stelde hem tot een heerser over het ganse landschap van Babel, en een overste der overheden over al de wijzen van Babel.
  • Marc 12:17-18 : 17 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem. 18 En de Sadduceen kwamen tot Hem, welke zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende:
  • Marc 12:32-34 : 32 En de schriftgeleerde zeide tot Hem: Meester, Gij hebt wel in der waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij; 33 En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan al de brandofferen en de slachtofferen. 34 En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen.
  • Gen 41:38-57 : 38 Zo zeide Farao tot zijn knechten: Zouden wij wel een man vinden als deze, in welken Gods Geest is? 39 Daarna zeide Farao tot Jozef: Naardien dat God u dit alles heeft verkondigd, zo is er niemand zo verstandig en wijs, als gij. 40 Gij zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen dezen troon zal ik groter zijn dan gij. 41 Voorts sprak Farao tot Jozef: Zie, ik heb u over gans Egypteland gesteld. 42 En Farao nam zijn ring van zijn hand af, en deed hem aan Jozefs hand, en liet hem fijne linnen klederen aantrekken, en legde hem een gouden keten aan zijn hals; 43 En hij deed hem rijden op den tweeden wagen, dien hij had; en zij riepen voor zijn aangezicht: Knielt! Alzo stelde hij hem over gans Egypteland. 44 En Farao zeide tot Jozef: Ik ben Farao! doch zonder u zal niemand zijn hand of zijn voet opheffen in gans Egypteland. 45 En Farao noemde Jozefs naam Zafnath Paaneah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte. 46 Jozef nu was dertig jaren oud, als hij stond voor het aangezicht van Farao, koning van Egypte; en Jozef ging uit van Farao's aangezicht, en hij toog door gans Egypteland. 47 En het land bracht voort, in de zeven jaren des overvloeds, bij handvollen. 48 En hij vergaderde alle spijze der zeven jaren, die in Egypteland was, en deed de spijze in de steden; de spijze van het veld van elke stad, hetwelk rondom haar was, deed hij daarbinnen. 49 Alzo bracht Jozef zeer veel koren bijeen, als het zand der zee, totdat men ophield te tellen: want daarvan was geen getal. 50 En Jozef werden twee zonen geboren, eer er een jaar des hongers aankwam, die Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, hem baarde. 51 En Jozef noemde den naam des eerstgeborenen Manasse; want, zeide hij, God heeft mij doen vergeten al mijn moeite, en het ganse huis mijns vaders. 52 En den naam des tweeden noemde hij Efraim; want, zeide hij, God heeft mij doen wassen in het land mijner verdrukking. 53 Toen eindigden de zeven jaren des overvloeds, die in Egypte geweest was. 54 En de zeven jaren des hongers begonnen aan te komen, gelijk als Jozef gezegd had. En er was honger in al de landen; maar in gans Egypteland was brood. 55 Als nu gans Egypteland hongerde, riep het volk tot Farao om brood; en Farao zeide tot alle Egyptenaren: Gaat tot Jozef, doet wat hij u zegt. 56 Als dan honger over het ganse land was, zo opende Jozef alles, waarin iets was, en verkocht aan de Egyptenaren; want de honger was sterk in Egypteland. 57 En alle landen kwamen in Egypte tot Jozef, om te kopen; want de honger was sterk in alle landen.
  • Job 6:25 : 25 O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is?
  • Spr 15:23 : 23 Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!
  • Spr 16:1 : 1 De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.

  • 25Maar voor degenen, die hem bestraffen, zal liefelijkheid zijn; en de zegen des goeds zal op hem komen.

  • 21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.

  • 16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.

  • 23Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!

  • 14Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen.

  • Spr 16:23-24
    2 verzen
    71%

    23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.

    24Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.

  • Spr 5:2-3
    2 verzen
    71%

    2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.

    3Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.

  • 18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.

  • Spr 24:27-28
    2 verzen
    71%

    27Beschik uw werk daarbuiten, en bereid het voor u op den akker, en bouw daarna uw huis.

    28Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zoudt gij verleiden met uw lip?

  • 15Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen de wetenschap zijn een kostelijk kleinood.

  • 24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.

  • 12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.

  • 21De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.

  • Spr 10:31-32
    2 verzen
    70%

    31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.

    32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.

  • 6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.

  • 10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.

  • 23Die een mens bestraft, zal achterna gunst vinden, meer dan die met de tong vleit.

  • 6Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.

  • 1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.

  • 7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.

  • 20Van de vrucht van ieders mond zal zijn buik verzadigd worden; hij zal verzadigd worden van de inkomst zijner lippen.

  • 11Die de reinheid des harten liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de koning.

  • 3Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.

  • 13Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte.

  • Spr 15:1-2
    2 verzen
    68%

    1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.

    2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.

  • 28Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond der goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten.

  • 27En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;

  • 32Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!

  • 23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.

  • 3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.

  • 30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.

  • 4De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.

  • 24Die haat draagt, gelaat zich vreemd met zijn lippen; maar in zijn binnenste stelt hij bedrog aan.

  • 6De wonden des liefhebbers zijn getrouw; maar de kussingen des haters zijn af te bidden.

  • 23In allen smartelijke arbeid is overschot; maar het woord der lippen strekt alleen tot gebrek.

  • 2Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen.

  • 19Gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen den mens.

  • 13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?

  • 19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.

  • 2Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.

  • 16Elkeen, die haar verbergt, zou den wind verbergen, en de olie zijner rechterhand, die roept.

  • 26Groet al de broeders met een heiligen kus.

  • 22Valse lippen zijn den HEERE een gruwel; maar die trouwelijk handelen, zijn Zijn welgevallen.

  • 19Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; vermeng u dan niet met hem, die met zijn lippen verlokt.