Spreuken 6:9
Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?
Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
10Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;
11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.
33Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;
34Zo zal uw armoede u overkomen, als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man.
15Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.
4Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering.
5Red u, als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers.
6Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;
7Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende,
8Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst.
13Heb den slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt; open uw ogen, verzadig u met brood.
13De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.
14Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed.
15De luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen.
16De luiaard is wijzer in zijn ogen, dan zeven, die met rede antwoorden.
4Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn.
2Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.
25De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken.
24Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.
4De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.
26Gelijk edik den tanden, en gelijk rook den ogen is zo is de luie dengenen, die hem uitzenden.
18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.
27Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.
30Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens;
9Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.
19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
13De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!
4Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.
5Die in den zomer vergadert, is een verstandig zoon; maar die in den oogst vast slaapt, is een zoon die beschaamd maakt.
46En Hij zeide tot hen: Wat slaapt gij? Staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.
12Er is een kwaad, dat krankheid aanbrengt, hetwelk ik zag onder de zon: rijkdom van zijn bezitters bewaard tot hun eigen kwaad.
24De hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.
23Maar om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen.
36Opdat hij niet onvoorziens kome, en u slapende vinde.
12Alzo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden.
6Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn.
4Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij den avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan den schemertijd.
22Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken.
14Daarom zegt Hij: Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten.
15Vau. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis spijze, en haar dienstmaagden het bescheiden deel.
21Want een zuiper en vraat zal arm worden; en de sluimering doet verscheurde klederen dragen.
16Want zij slapen niet, zo zij geen kwaad gedaan hebben; en hun slaap wordt weggenomen, zo zij niet iemand hebben doen struikelen.
26(Hierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.)
17Hij dan zeide: Gijlieden gaat ledig, ledig gaat gij; daarom zegt gij: Laat ons gaan, laat ons den HEERE offeren!
4Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;
9Doch laat ons, goed doende, niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien, zo wij niet verslappen.
16Als ik mijn hart begaf, om wijsheid te weten, en om aan te zien de bezigheid, die op de aarde geschiedt, dat men ook, des daags of des nachts, den slaap niet ziet met zijne ogen;
15In den droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger;
26Maar zijn heer, antwoordende, zeide tot hem: Gij boze en luie dienstknecht! gij wist, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader, waar ik niet gestrooid heb.
27Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.