Jeremia 31:26

Statenvertaling (States Bible)

(Hierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.)

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 127:2 : 2 Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.
  • Zach 4:1-2 : 1 En de Engel, Die met mij sprak, kwam weder; en Hij wekte mij op, gelijk een man, die van zijn slaap opgewekt wordt. 2 En Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? En ik zeide: Ik zie, en ziet, een geheel gouden kandelaar, en een oliekruikje boven deszelfs hoofd, en zijn zeven lampen daarop; die lampen hadden zeven en zeven pijpen, dewelke boven zijn hoofd waren;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 78%

    5Ik riep met mijn stem tot den HEERE, en Hij verhoorde mij van den berg Zijner heiligheid. Sela.

  • 25Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld.

  • 15In den droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger;

  • 13Onder de gedachten van de gezichten des nachts, als diepe slaap valt op de mensen;

  • 24Zo gij nederligt, zult gij niet schrikken; maar gij zult nederliggen en uw slaap zal zoet wezen.

  • Ps 132:3-4
    2 verzen
    74%

    3Zo ik in de tent mijns huizes inga, zo ik op de koets van mijn bed klimme!

    4Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;

  • 13Wanneer ik zeg: Mijn bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijn klacht wat wegnemen;

  • 40Ik ben geweest, dat mij bij dag de hitte verteerde, en bij nacht de vorst, en dat mijn slaap van mijn ogen week.

  • 15Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.

  • 16Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet geweten!

  • 1En de Engel, Die met mij sprak, kwam weder; en Hij wekte mij op, gelijk een man, die van zijn slaap opgewekt wordt.

  • 4Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij den avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan den schemertijd.

  • Spr 24:32-33
    2 verzen
    73%

    32Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte; ik zag het, en nam onderwijzing aan;

    33Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;

  • 6Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen.

  • 12Er is een kwaad, dat krankheid aanbrengt, hetwelk ik zag onder de zon: rijkdom van zijn bezitters bewaard tot hun eigen kwaad.

  • 13Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;

  • 35Men heeft mij geslagen, zult gij zeggen, ik ben niet ziek geweest; men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld; wanneer zal ik opwaken? Ik zal hem nog meer zoeken!

  • 2Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.

  • 2Ik sliep, maar mijn hart waakte, de stem mijns Liefsten, Die klopte, was: Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte! want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen.

  • 10Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;

  • 9En ik hoorde de stem Zijner woorden; en toen ik de stem Zijner woorden hoorde, zo viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht, met mijn aangezicht ter aarde.

  • 7Mijn ziel! keer weder tot uw rust, want de HEERE heeft aan u welgedaan.

  • 16Als ik mijn hart begaf, om wijsheid te weten, en om aan te zien de bezigheid, die op de aarde geschiedt, dat men ook, des daags of des nachts, den slaap niet ziet met zijne ogen;

  • Job 31:26-27
    2 verzen
    71%

    26Zo ik het licht aangezien heb, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande;

    27En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;

  • 5Zag een droom, die mij vervaarde, en de gedachten, die ik op mijn bed had, en de gezichten mijns hoofds beroerden mij.

  • 3Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijn ziel, droefenis in mijn hart bij dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn?

  • 11En de Engel Gods zeide tot mij in de droom: Jakob! En ik zeide: Zie, hier ben ik!

  • 1Ik zocht des nachts op mijn leger Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik zeide:

  • Ps 73:20-21
    2 verzen
    70%

    20Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten.

    21Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,

  • 70%

    6Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?

  • 34Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.

  • 70%

    8Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. [ (Psalms 4:9) Ik zal in vrede te zamen nederliggen en slapen; want Gij, o HEERE! alleen zult mij doen zeker wonen. ]

  • 8Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen.

  • 6De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.

  • 7Verder, het licht is zoet, en het is den ogen goed de zon te aanschouwen;

  • 17Des nachts doorboort Hij mijn beenderen in mij, en mijn polsaderen rusten niet.

  • 26Daarom is mijn hart verblijd; en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope;

  • 17Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;

  • 4Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela.

  • 11Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.

  • 18Als hij nu met mij sprak, viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht ter aarde; toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijn standplaats.

  • 26Ik was niet gerust; en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen.

  • 19Mijn wortel was uitgebreid aan het water, en dauw vernachtte op mijn tak.

  • 13Heb den slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt; open uw ogen, verzadig u met brood.

  • 6Hun rechters zijn aan de zijde der steenrots vrijgelaten geweest, en hebben gehoord mijn redenen, dat zij aangenaam waren.