Psalmen 57:8
Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen.
Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Een lied, een psalm van David.
2O God! mijn hart is bereid; ik zal zingen en psalmzingen, ook mijn eer.
3Waak op, gij luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
7Zij hebben een net bereid voor mijn gangen, mijn ziel was nedergebukt; zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn er midden in gevallen. Sela.
2Het is goed, dat men den HEERE love, en Uw Naam psalmzinge, o Allerhoogste!
3Dat men in den morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten;
3Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden.
9Waak op, mijn eer! waak op, gij, luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
16Laat hen zelfs omzwerven om spijs; en laat hen vernachten, al zijn zij niet verzadigd.
6Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen! Sela.
5Psalmzingt den HEERE met de harp, met de harp en met de stem des gezangs,
22Ook zal ik U loven met het instrument der luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige Israels!
23Ontwaak en word wakker tot mijn recht; mijn God en HEERE! tot mijn twistzaak.
8Doe mij Uw goedertierenheid in den morgenstond horen, want ik betrouw op U; maak mij bekend den weg, dien ik te gaan heb, want ik hef mijn ziel tot U op.
13Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis, en Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?
4En dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging, en U met de harp love, o God, mijn God!
2Zingt vrolijk Gode, onze Sterkte; juicht den God van Jakob.
5Ik riep met mijn stem tot den HEERE, en Hij verhoorde mij van den berg Zijner heiligheid. Sela.
6Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen.
4Want zie, zij leggen mijner ziel lagen; sterken rotten zich tegen mij; zonder mijn overtreding, en zonder mijn zonde, o HEERE!
5Zij lopen en bereiden zich zonder mijn misdaad; waak op mij tegemoet, en zie.
15Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.
8Sta op, HEERE! tot Uw rust, Gij en de ark Uwer sterkte!
23Maar om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen.
9O God! ik zal U een nieuw lied zingen; met de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen.
10Nu zal Ik opstaan, zegt de HEERE, nu zal Ik verhoogd worden, nu zal Ik verheven worden.
3Looft Hem met geklank der bazuin; looft Hem met de luit en met de harp!
2Looft den HEERE met de harp; psalmzingt Hem met de luit, en het tiensnarig instrument.
26(Hierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.)
12Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord; [ (Psalms 30:13) Opdat mijn eer U psalmzinge, en niet zwijge. HEERE, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven. ]
20De HEERE was gereed om mij te verlossen; daarom zullen wij op mijn snarenspel spelen; al de dagen onzes levens, in het huis des HEEREN.
2Ik zal den HEERE loven met mijn ganse hart; ik zal al Uw wonderen vertellen.
4Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;
4Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij den avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan den schemertijd.
10Nu dan, maak u morgen vroeg op met de knechten uws heren, die met u gekomen zijn; en als gijlieden u morgen vroeg zult opgemaakt hebben, en het ulieden licht geworden is, zo gaat heen.
7De HEERE is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen; dies springt mijn hart van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven.
8De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.
17Zijn moeite zal op zijn hoofd wederkeren, en zijn geweld op zijn schedel nederdalen. [ (Psalms 7:18) Ik zal den HEERE loven naar Zijn gerechtigheid, en den Naam des HEEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen. ]
147Ik ben de morgen schemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt.
1Hallelujah! O mijn ziel! prijs den HEERE.
2Ik zal den HEERE prijzen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.
28Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.
5Dat Zijn gunstgenoten van vreugde opspringen, om die eer; dat zij juichen op hun legers.
7Zingt den HEERE bij beurte met dankzegging; psalmzingt onzen God op de harp.
6Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen.
6God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.
1Een psalm van David. Ik zal van goedertierenheid en recht zingen; U zal ik psalmzingen, o HEERE!
5Mijn ziel is in het midden der leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, welker tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.
62Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten Uwer gerechtigheid.
6Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE.