Psalmen 7:6
Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen! Sela.
Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen! Sela.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
23Ontwaak en word wakker tot mijn recht; mijn God en HEERE! tot mijn twistzaak.
24Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden.
19Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting der ellendigen in eeuwigheid verloren zijn.
5Indien ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered die mij zonder oorzaak benauwde!)
13Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze;
7Sta op, HEERE, in Uw toorn, verhef U om de verbolgenheden mijner benauwers, en ontwaak tot mij; Gij hebt het gericht bevolen.
8Zo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte.
7Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten.
4Want zie, zij leggen mijner ziel lagen; sterken rotten zich tegen mij; zonder mijn overtreding, en zonder mijn zonde, o HEERE!
5Zij lopen en bereiden zich zonder mijn misdaad; waak op mij tegemoet, en zie.
7Mijn vijand zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde.
10Zelfs de man mijns vredes, op welken ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.
1Een psalm van David, als hij vlood voor het aangezicht van zijn zoon Absalom.
8Sta op, HEERE! tot Uw rust, Gij en de ark Uwer sterkte!
7Hoor, HEERE! mijn stem, als ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij.
14O God! de hovaardigen staan tegen mij op, en de vergaderingen der tirannen zoeken mijn ziel; en zij stellen U niet voor hun ogen.
41En nu, HEERE God, maak U op tot Uw rust, Gij en de ark Uwer kracht; laat Uw priesters, HEERE God, met heil bekleed worden, en laat Uw gunstgenoten over het goede blijde zijn.
23Maar om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen.
1Een psalm van David. Twist, HEERE! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders.
2Grijp het schild en de rondas, en sta op tot mijn hulp.
22Sta op, o God! twist Uw twistzaak; gedenk der smaadheid, die U van den dwaze wedervaart den gansen dag.
1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden.
1Hoort nu, wat de HEERE zegt: Maak u op, twist met de bergen, en laat de heuvelen uw stem horen.
13De HEERE stelt Zich om te pleiten, en Hij staat, om de volken te richten.
4Aanschouw, verhoor mij, HEERE, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape;
16Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid?
11O HEERE! maak mij levend, om Uws Naams wil; voer mijn ziel uit de benauwdheid, om Uw gerechtigheid.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith.
1O God der wraken! o HEERE, God der wraken! verschijn blinkende.
2Gij, Rechter der aarde! verhef U; breng vergelding weder over de hovaardigen.
13Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der ellendigen niet.
1Doe mij recht, o God! en twist Gij mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van den man des bedrogs en des onrechts.
8Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen.
1Een psalm, een lied van David, voor den opperzangmeester.
8Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de HEERE mij een licht zijn.
9Ik zal des HEEREN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij brengen aan het licht; ik zal mijn lust zien aan Zijn gerechtigheid.
3O God! verlos mij door Uw Naam, en doe mij recht door Uw macht.
7Zij rotten samen, zij versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn ziel wachten.
23Doch Gij, HEERE! weet al hun raad tegen mij ten dode; maak geen verzoening over hun ongerechtigheid, en delg hun zonde niet uit van voor Uw aangezicht; maar laat hen nedergeveld worden voor Uw aangezicht; handel alzo met hen, ten tijde Uws toorns.
12Sta op, HEERE God! hef Uw hand op, vergeet de ellendigen niet.
1Davids Schiggajon, dat hij den HEERE gezongen heeft, over de woorden van Cusch, den zoon van Jemini.
49En Die mij uitvoert van mijn vijanden; en Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man alles gewelds.
2O God! zwijg niet, houd U niet als doof, en zijt niet stil, o God!
10Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.
9Gij deedt een oordeel horen uit den hemel; de aarde vreesde en werd stil,
12De heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar het dal van Josafat; maar aldaar zal Ik zitten, om te richten alle heidenen van rondom.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, om te doen gedenken.
20Maar, o HEERE der heirscharen, Gij rechtvaardige Rechter, Die de nieren en het hart proeft! laat mij Uw wraak van hen zien; want aan U heb ik mijn twistzaak ontdekt.
8Sta op, o God! oordeel het aardrijk, want Gij bezit alle natien.