Psalmen 76:9
Gij deedt een oordeel horen uit den hemel; de aarde vreesde en werd stil,
Gij deedt een oordeel horen uit den hemel; de aarde vreesde en werd stil,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
8Gij, vreselijk zijt Gij; en wie zal voor Uw aangezicht bestaan, van den tijd Uws toorns af?
6En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.
19Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting der ellendigen in eeuwigheid verloren zijn.
20Sta op, HEERE, laat de mens zich niet versterken; laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden. [ (Psalms 9:21) O HEERE! jaag hun vreze aan; laat de heidenen weten, dat zij mensen zijn. Sela. ]
9Voor het aangezicht des HEEREN, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken in alle rechtmatigheid.
10Als God opstond ten oordeel, om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen. Sela.
8Maar de HEERE zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.
9En Hij Zelf zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken oordelen in rechtmatigheden.
2God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten. Sela.
3Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil.
4De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.
5De natien zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natien op de aarde die zult Gij leiden. Sela.
8Sta op, o God! oordeel het aardrijk, want Gij bezit alle natien.
29Als men iemand vernederen zal, en gij zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God den nederige van ogen behouden.
6Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen! Sela.
17HEERE! Gij hebt den wens der zachtmoedigen gehoord; Gij zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken;
18Om den wees en verdrukte recht te doen; opdat een mens van de aarde niet meer voortvare geweld te bedrijven.
2Wij loven U, o God; wij loven, dat Uw Naam nabij is; men vertelt Uw wonderen.
6De HEERE houdt de zachtmoedigen staande; de goddelozen vernedert Hij, tot de aarde toe.
2Hoe lang zult gijlieden onrecht oordelen, en het aangezicht der goddelozen aannemen? Sela.
3Doet recht den arme en den wees; rechtvaardigt den verdrukte en den arme.
12Evenwel is God mijn Koning van ouds af, Die verlossingen werkt in het midden der aarde.
9Jod. Hij zal de zachtmoedigen leiden in het recht, en Hij zal den zachtmoedigen Zijn weg leren.
5Zij lopen en bereiden zich zonder mijn misdaad; waak op mij tegemoet, en zie.
2Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht.
3De bergen zullen den volke vrede dragen, ook de heuvelen, met gerechtigheid.
4Hij zal de ellendigen des volks richten; hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen, en den verdrukker verbrijzelen.
11De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed des goddelozen. [ (Psalms 58:12) En de mens zal zeggen: Immers is er vrucht voor den rechtvaardige; immers is er een God, Die op de aarde richt. ]
6O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe.
13Voor het aangezicht des HEEREN; want Hij komt, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn waarheid.
4Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.
7Een God, Die de eenzamen zet in een huisgezin, uitvoert, die in boeien gevangen zijn; maar de afvalligen wonen in het dorre.
31Want Hij zal den nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen.
2Gij, Rechter der aarde! verhef U; breng vergelding weder over de hovaardigen.
4De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela.
23Ontwaak en word wakker tot mijn recht; mijn God en HEERE! tot mijn twistzaak.
11De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede.
13De HEERE stelt Zich om te pleiten, en Hij staat, om de volken te richten.
3Ik zal roepen tot God, den Allerhoogste, tot God, Die het aan mij voleinden zal.
6De HEERE doet gerechtigheid en gerichten al dengenen, die onderdrukt worden.
1Doe mij recht, o God! en twist Gij mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van den man des bedrogs en des onrechts.
16Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid?
10Zegt onder de heidenen: De HEERE regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid.
12Psalmzingt den HEERE, Die te Sion woont; verkondigt onder de volken Zijn daden.
4Want de HEERE heeft een welgevallen aan Zijn volk; Hij zal de zachtmoedigen versieren met heil.
29Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.
7De ganse aarde rust, zij is stil; zij maken groot geschal met gejuich.
3Zoekt den HEERE, alle gij zachtmoedigen des lands, die Zijn recht werken! Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult gij verborgen worden in den dag van den toorn des HEEREN.
1Zwijgt voor Mij, gij eilanden! en laat de volken de kracht vernieuwen; laat ze toetreden, laat ze dan spreken; laat ons samen ten gerichte naderen.
32Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.