Psalmen 57:3

Statenvertaling (States Bible)

Ik zal roepen tot God, den Allerhoogste, tot God, Die het aan mij voleinden zal.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 40:11 : 11 Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.
  • Ps 43:3 : 3 Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot den berg Uwer heiligheid, en tot Uw woningen;
  • Ps 56:1-2 : 1 Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath. 2 Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; den gansen dag dringt mij de bestrijder.
  • Ps 61:7 : 7 Gij zult dagen tot des konings dagen toedoen; zijn jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht;
  • Ps 144:5-7 : 5 Neig Uw hemelen, HEERE! en daal neder; raak de bergen aan, dat zij roken. 6 Bliksem bliksem, en verstrooi hen; zend Uw pijlen uit, en verdoe hen. 7 Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden;
  • Micha 3:2-3 : 2 Zij haten het goede, en hebben het kwade lief; zij roven hun huid van hen af, en hun vlees van hun beenderen. 3 Ja, zij zijn het, die het vlees mijns volks eten, en hun huid afstropen, en hun beenderen verbreken; en vaneen leggen, gelijk als in een pot, en als vlees in het midden eens ketels.
  • Matt 28:2-6 : 2 En ziet, er geschiedde een grote aardbeving; want een engel des Heeren, nederdalende uit den hemel, kwam toe, en wentelde de steen af van de deur, en zat op denzelven. 3 En zijn gedaante was gelijk een bliksem, en zijn kleding wit gelijk sneeuw. 4 En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als doden. 5 Maar de engel, antwoordende, zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet; want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was. 6 Hij is hier niet; want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats, waar de Heere gelegen heeft.
  • Joh 1:17 : 17 Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.
  • Hand 12:11 : 11 En Petrus, tot zichzelven gekomen zijnde, zeide: Nu weet ik waarachtiglijk dat de Heere Zijn engel uitgezonden heeft, en mij verlost heeft uit de hand van Herodes, en uit al de verwachting van het volk der Joden.
  • Num 23:24 : 24 Zie, het volk zal opstaan als een oude leeuw, en het zal zich verheffen als een leeuw; het zal zich niet neerleggen, totdat het den roof gegeten, en het bloed der verslagenen gedronken zal hebben!
  • Job 31:31 : 31 Zo de lieden mijner tent niet hebben gezegd: Och, of wij van zijn vlees hadden, wij zouden niet verzadigd worden;
  • Ps 18:6-9 : 6 Banden der hel omringden mij, strikken des doods bejegenden mij. 7 Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren. 8 Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was. 9 Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken. 10 En Hij boog den hemel, en daalde neder, en donkerheid was onder Zijn voeten. 11 En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds. 12 Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels. 13 Van den glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarhenen, hagel en vurige kolen. 14 En de HEERE donderde in den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem, hagel en vurige kolen. 15 En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze. 16 En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o HEERE! van het geblaas des winds van Uw neus. 17 Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren. 18 Hij verloste mij van mijn sterken vijand, en van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik. 19 Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij tot een Steunsel. 20 En Hij voerde mij uit in de ruimte, Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij. 21 De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen. 22 Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan. 23 Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg. 24 Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid. 25 Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar de reinigheid mijner handen, voor Zijn ogen. 26 Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den oprechten man houdt Gij U oprecht. 27 Bij den reine houdt Gij U rein, maar bij den verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar. 28 Want Gij verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert Gij. 29 Want Gij doet mijn lamp lichten; de HEERE, mijn God, doet mijn duisternis opklaren. 30 Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur. 31 Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen. 32 Want wie is God, behalve de HEERE? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God? 33 Het is God, Die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt. 34 Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en Hij stelt mij op mijn hoogten. 35 Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is. 36 Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt. 37 Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij, en mijn enkelen hebben niet gewankeld. 38 Ik vervolgde mijn vijanden, en trof hen aan; en ik keerde niet weder, totdat ik hen verdaan had. 39 Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten. 40 Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden. 41 En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik. 42 Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet. 43 Toen vergruisde ik hen als stof voor den wind; ik ruimde hen weg als slijk der straten. 44 Gij hebt mij uitgeholpen van de twisten des volks; Gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend. 45 Zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen. 46 Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hun sloten. 47 De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen, en verhoogd zij de God mijns heils! 48 De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt; 49 Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man des gewelds. 50 Daarom zal ik U, o HEERE! loven onder de heidenen; en Uw Naam zal ik psalmzingen; [ (Psalms 18:51) Die de verlossingen Zijns konings groot maakt, en goedertierenheid doet aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid. ]

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 57:1-2
    2 verzen
    77%

    1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; als hij voor Sauls aangezicht vlood in de spelonk.

    2Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw Uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.

  • 26Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.

  • 16Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen.

  • Ps 7:1-2
    2 verzen
    76%

    1Davids Schiggajon, dat hij den HEERE gezongen heeft, over de woorden van Cusch, den zoon van Jemini.

    2HEERE, mijn God, op U betrouw ik; verlos mij van al mijn vervolgers, en red mij.

  • Ps 57:4-5
    2 verzen
    75%

    4Hij zal van den hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden.

    5Mijn ziel is in het midden der leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, welker tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.

  • Ps 56:1-3
    3 verzen
    75%

    1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath.

    2Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; den gansen dag dringt mij de bestrijder.

    3Mijn verspieders zoeken mij den gansen dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!

  • 3De HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welken ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek.

  • 17Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.

  • Ps 18:16-17
    2 verzen
    74%

    16En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o HEERE! van het geblaas des winds van Uw neus.

    17Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.

  • 13Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der ellendigen niet.

  • 2 Sam 22:3-4
    2 verzen
    73%

    3God is mijn Rots, ik zal op Hem betrouwen; mijn Schild en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek en mijn Toevlucht, mijn Verlosser! Van geweld hebt Gij mij verlost!

    4Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is, en ik werd verlost van mijn vijanden.

  • 11Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.

  • 13Want Uw goedertierenheid is groot over mij; en Gij hebt mijn ziel uit het onderste des grafs uitgerukt.

  • 13Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.

  • 73%

    2O HEERE! hoe zijn mijn tegenpartijders vermenigvuldigd; velen staan tegen mij op.

  • 73%

    4Doch Gij, HEERE! zijt een Schild voor mij, mijn eer, en Die mijn hoofd opheft.

  • 10Gij, die den koningen overwinning geeft, Die Zijn knecht David ontzet van het boze zwaard;

  • 10Tegen zijn sterkte zal ik op U wachten; want God is mijn Hoog Vertrek.

  • Ps 43:1-3
    3 verzen
    73%

    1Doe mij recht, o God! en twist Gij mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van den man des bedrogs en des onrechts.

    2Want Gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot Gij mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?

    3Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot den berg Uwer heiligheid, en tot Uw woningen;

  • 14Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.

  • 2Red mij door Uw gerechtigheid, en bevrijd mij; neig Uw oor tot mij, en verlos mij.

  • 72%

    7Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten.

  • 48De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt;

  • 18Des avonds, en des morgens, en des middags zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen.

  • 5Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen.

  • Ps 59:16-17
    2 verzen
    72%

    16Laat hen zelfs omzwerven om spijs; en laat hen vernachten, al zijn zij niet verzadigd.

    17Maar ik zal Uw sterkte zingen, en des morgens Uw goedertierenheid vrolijk roemen, omdat Gij mij een Hoog Vertrek zijt geweest, en een Toevlucht ten dage, als mij bange was. [ (Psalms 59:18) Van U, o mijn Sterkte! zal ik psalmzingen; want God is mijn Hoog Vertrek, de God mijner goedertierenheid. ]

  • 1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden.

  • 17HEERE! hoe lang zult Gij toezien? Breng mijn ziel weder van hunlieder verwoestingen, mijn eenzame van de jonge leeuwen.

  • 40En de HEERE zal hen helpen, en zal hen bevrijden; Hij zal ze bevrijden van de goddelozen, en zal ze behouden; want zij betrouwen op Hem.

  • 29Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.

  • 49En Die mij uitvoert van mijn vijanden; en Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man alles gewelds.

  • 5Want Hij versteekt mij in Zijn hut, ten dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen.

  • 7Maak Uw weldadigheden wonderbaar, Gij, Die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan!

  • 10Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?

  • 6He. Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.

  • 7Hij is immers mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Hoog Vertrek; ik zal niet wankelen.

  • 7Gij zijt mij een Verberging; Gij behoedt mij voor benauwdheid; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela.

  • 2De HEERE verhore u in den dag der benauwdheid; de Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek.

  • 10Ik zal U loven onder de volken, o Heere! ik zal U psalmzingen onder de natien.

  • 3Van het einde des lands roep ik tot U als mijn hart overstelpt is; leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn.