Psalmen 50:4
Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.
Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
5Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande!
6En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.
7Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israel! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God.
3Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen.
9Voor het aangezicht des HEEREN, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken in alle rechtmatigheid.
13Voor het aangezicht des HEEREN; want Hij komt, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn waarheid.
8Maar de HEERE zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.
2Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht.
1Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang.
14Want de HEERE zal Zijn volk richten, en het zal Hem berouwen over Zijn knechten.
14De HEERE donderde van den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem.
13De HEERE stelt Zich om te pleiten, en Hij staat, om de volken te richten.
7Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.
19Dat zal geschreven worden voor het navolgende geslacht; en het volk, dat geschapen zal worden, zal den HEERE loven;
14Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.
3Want ziet, de HEERE gaat uit van Zijn plaats, en Hij zal nederdalen en treden op de hoogten der aarde.
8Gij, vreselijk zijt Gij; en wie zal voor Uw aangezicht bestaan, van den tijd Uws toorns af?
9Gij deedt een oordeel horen uit den hemel; de aarde vreesde en werd stil,
8Zo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte.
11Rot te hoop, en komt aan, alle gij volken van rondom, en vergadert u! (O HEERE, doe Uw helden derwaarts nederdalen!)
12De heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar het dal van Josafat; maar aldaar zal Ik zitten, om te richten alle heidenen van rondom.
6De hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid, en alle volken zien Zijn eer.
27De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren, en de aarde zal zich tegen hem opmaken.
1Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering Godes; Hij oordeelt in het midden der goden;
2Rondom Hem zijn wolken en donkerheid, gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Zijns troons.
1Nadert, gij heidenen, om te horen, en gij volken, luistert toe; de aarde hore, en haar volheid, de wereld en al wat daaruit voortkomt.
5Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken.
1Zwijgt voor Mij, gij eilanden! en laat de volken de kracht vernieuwen; laat ze toetreden, laat ze dan spreken; laat ons samen ten gerichte naderen.
4De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.
10Zegt onder de heidenen: De HEERE regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid.
11Gij koningen der aarde, en alle volken, gij vorsten, en alle rechters der aarde!
33Dan zullen de bomen des wouds juichen voor het aangezicht des HEEREN, omdat Hij komt, om de aarde te richten.
8Toen daverde en beefde de aarde; de fondamenten des hemels beroerden zich, en daverden, omdat Hij ontstoken was.
19De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles.
33Gij koninkrijken der aarde, zingt Gode; psalmzingt den Heere! Sela.
5Neig Uw hemelen, HEERE! en daal neder; raak de bergen aan, dat zij roken.
2Wij loven U, o God; wij loven, dat Uw Naam nabij is; men vertelt Uw wonderen.
8Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.
7Om wraak te doen over de heidenen, en bestraffingen over de volken;
4De HEERE is in het paleis Zijner heiligheid, des HEEREN troon is in den hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen.
10Die met den HEERE twisten, zullen verpletterd worden; Hij zal in den hemel over hen donderen; de HEERE zal de einden der aarde richten, en zal Zijn Koning sterkte geven, en den hoorn Zijns Gezalfden verhogen.
2Al gij volken, klapt in de hand; juicht Gode met een stem van vreugdegezang.
4De HEERE is hoog boven alle heidenen, boven de hemelen is Zijn heerlijkheid.
32Hoor Gij dan in den hemel, en doe, en richt Uw knechten, veroordelende den ongerechtige, gevende zijn weg op zijn hoofd, en rechtvaardigende den gerechtige, gevende hem naar zijn gerechtigheid.
14Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde.
5De bergen beven voor Hem, en de heuvelen versmelten; en de aarde licht zich op voor Zijn aangezicht, en de wereld, en allen, die daarin wonen.
8Want God is een Koning der ganse aarde; psalmzingt met een onderwijzing!
6Hij zal recht doen onder de heidenen; Hij zal het vol dode lichamen maken; Hij zal verslaan dengene, die het hoofd is over een groot land.
2Gij, Rechter der aarde! verhef U; breng vergelding weder over de hovaardigen.
4Daarna brult Hij met de stem; Hij dondert met de stem Zijner hoogheid, en vertrekt die dingen niet, als Zijn stem zal gehoord worden.