Psalmen 67:4
De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.
De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
5De natien zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natien op de aarde die zult Gij leiden. Sela.
1Een psalm, een lied, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
2God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten. Sela.
3Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil.
10Zegt onder de heidenen: De HEERE regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid.
11Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde zich verheuge, dat de zee bruise met haar volheid.
1Voor Salomo. O God! geef den koning Uw rechten, en Uw gerechtigheid den zoon des konings.
2Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht.
4De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela.
9Voor het aangezicht des HEEREN, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken in alle rechtmatigheid.
31Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde verheuge zich, en dat men onder de heidenen zegge: De HEERE regeert.
32Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.
8Maar de HEERE zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.
7Hij heerst eeuwiglijk met Zijn macht; Zijn ogen houden wacht over de heidenen; laat de afvalligen niet verhoogd worden. Sela.
8Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.
8Sta op, o God! oordeel het aardrijk, want Gij bezit alle natien.
1De HEERE regeert, de aarde verheuge zich; dat veel eilanden zich verblijden.
9Gij deedt een oordeel horen uit den hemel; de aarde vreesde en werd stil,
7Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt!
8Want God is een Koning der ganse aarde; psalmzingt met een onderwijzing!
11Gelijk Uw Naam is, o God! alzo is Uw roem tot aan de einden der aarde; Uw rechterhand is vol van gerechtigheid.
6En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.
3Gij zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht.
4Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden; zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en van blijdschap vrolijk zijn.
7Sta op, HEERE, in Uw toorn, verhef U om de verbolgenheden mijner benauwers, en ontwaak tot mij; Gij hebt het gericht bevolen.
8Zo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte.
4Omdat mijn vijanden achterwaarts gekeerd, gevallen en vergaan zijn van Uw aangezicht.
4Juicht den HEERE, gij ganse aarde! roept uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt.
13Voor het aangezicht des HEEREN; want Hij komt, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn waarheid.
11De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed des goddelozen. [ (Psalms 58:12) En de mens zal zeggen: Immers is er vrucht voor den rechtvaardige; immers is er een God, Die op de aarde richt. ]
19Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting der ellendigen in eeuwigheid verloren zijn.
1Looft den HEERE, alle heidenen; prijst Hem, alle natien!
4En de sterkte des Konings, die het recht lief heeft. Gij hebt billijkheden bevestigd, Gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.
7Om wraak te doen over de heidenen, en bestraffingen over de volken;
8Sion heeft gehoord, en het heeft zich verblijd, en de dochteren van Juda hebben zich verheugd vanwege Uw oordelen, o HEERE!
15Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons; goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn henen.
4Laat hen terugkeren tot loon hunner beschaming, die daar zeggen: Ha, ha!
4Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds.
2Hoe lang zult gijlieden onrecht oordelen, en het aangezicht der goddelozen aannemen? Sela.
27De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den HEERE prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven.
2Dat Israel zich verblijde in Dengene, Die hem gemaakt heeft; dat de kinderen Sions zich verheugen over hun Koning.
9Dat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid, en dat Uw gunstgenoten juichen.
24Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden.
11Gij koningen der aarde, en alle volken, gij vorsten, en alle rechters der aarde!
1Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in den HEERE; lof betaamt den oprechten.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
4Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.
3Waak op, gij luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
10En alle mensen zullen vrezen, en Gods werk verkondigen, en Zijn doen verstandelijk aanmerken. [ (Psalms 64:11) De rechtvaardige zal zich verblijden in den HEERE, en op Hem betrouwen; en alle oprechten van hart zullen zich beroemen. ]