Spreuken 26:9

Statenvertaling (States Bible)

Gelijk een doorn gaat in de hand eens dronkaards, alzo is een spreuk in den mond der zotten.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 23:35 : 35 Men heeft mij geslagen, zult gij zeggen, ik ben niet ziek geweest; men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld; wanneer zal ik opwaken? Ik zal hem nog meer zoeken!

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Spr 26:3-8
    6 verzen
    80%

    3Een zweep is voor het paard, een toom voor den ezel, en een roede voor den rug der zotten.

    4Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.

    5Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.

    6Hij snijdt zich de voeten af, en drinkt geweld, die boodschappen zendt door de hand van een zot.

    7Hef de benen van den kreupele op; alzo is een spreuk in den mond der zotten.

    8Gelijk hij, die een edel gesteente in een slinger bindt, alzo is hij, die den zot eer geeft.

  • Spr 26:10-12
    3 verzen
    77%

    10De groten doen een iegelijk verdriet aan, en huren de zotten, en huren de overtreders.

    11Gelijk een hond tot zijn uitspuwsel wederkeert, alzo herneemt de zot zijn dwaasheid.

    12Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! Van een zot is meer verwachting dan van hem.

  • 9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.

  • Spr 18:6-7
    2 verzen
    74%

    6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.

    7De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.

  • 6Want gelijk het geluid der doornen onder een pot is, alzo is het lachen eens zots. Dit is ook ijdelheid.

  • 1De wijn is een spotter, de sterke drank is woelachtig; al wie daarin dwaalt, zal niet wijs zijn.

  • 23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.

  • 3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.

  • 16Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, dewijl hij geen verstand heeft?

  • 10Dewijl zij in elkander gevlochten zijn als doornen, en dronken zijn, gelijk zij plegen dronken te zijn, zo worden zij volkomen verteerd, als een dorre stoppel.

  • 24Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.

  • 18Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt;

  • 16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.

  • 73%

    12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.

    13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.

  • 2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.

  • 1Gelijk de sneeuw in den zomer, en gelijk de regen in den oogst, alzo past den zot de eer niet.

  • 3Een steen is zwaar, en het zand gewichtig; maar de toornigheid des dwazen is zwaarder dan die beide.

  • Spr 14:7-8
    2 verzen
    72%

    7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.

    8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.

  • 3En ook wanneer de dwaas op den weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot een iegelijk, dat hij dwaas is.

  • 22Al stiet gij den dwaas in een mortier met een stamper, in het midden van het gestoten graan, zijn dwaasheid zou van hem niet afwijken.

  • Spr 17:24-25
    2 verzen
    72%

    24In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.

    25Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.

  • 14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.

  • 11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.

  • 15De arbeid der zotten maakt een iegelijk van hen moede; dewijl zij niet weten naar de stad te gaan.

  • 1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.

  • 29Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor den rug der zotten.

  • 23Het is voor den zot als spel, schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te plegen.

  • 33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.

  • 7Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.

  • 8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.

  • 10Die met het oog wenkt, richt smart aan; en een dwaas van lippen zal omgeworpen worden.

  • 26Gelijk edik den tanden, en gelijk rook den ogen is zo is de luie dengenen, die hem uitzenden.

  • 19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.

  • 14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.

  • 5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.

  • 5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.

  • 15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.

  • 22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.

  • 3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.