Spreuken 19:29
Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor den rug der zotten.
Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor den rug der zotten.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3Een zweep is voor het paard, een toom voor den ezel, en een roede voor den rug der zotten.
4Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.
5Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.
25Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.
9De gedachte der dwaasheid is zonde; en een spotter is den mens een gruwel.
28Een Belialsgetuige bespot het recht; en de mond der goddelozen slokt de ongerechtigheid in.
10De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderd maal te slaan.
11Zekerlijk, de wederspannige zoekt het kwaad; maar een wrede bode zal tegen hem gezonden worden.
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
29Schroomt u vanwege het zwaard; want de grimmigheid is over de misdaden des zwaards; opdat gij weet, dat er een gericht zij.
11Als men den spotter straft, wordt de slechte wijs; en als men den wijze onderricht, neemt hij wetenschap aan.
7Wie den spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die den goddeloze bestraft, zijn schandvlek.
15De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
9Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is goedwilligheid.
13In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.
1Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.
8Spotdrijvende lieden blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren den toorn af.
9Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.
17De zotten worden om den weg hunner overtreding, en om hun ongerechtigheden geplaagd;
9Gelijk een doorn gaat in de hand eens dronkaards, alzo is een spreuk in den mond der zotten.
10De groten doen een iegelijk verdriet aan, en huren de zotten, en huren de overtreders.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
2En het zal geschieden, indien de onrechtvaardige slagen verdiend heeft, dat de rechter hem zal doen nedervallen, en hem doen slaan in zijn tegenwoordigheid, naar dat het voor zijn onrechtvaardigheid genoeg zal zijn, in getal.
6De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
20Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat het met den bespotter uit zal zijn, en dat allen, die tot ongerechtigheid waken, uitgeroeid zullen zijn;
21Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen dien strikken, die hen bestraft in de poort; en die den rechtvaardige verdrijven in het woeste.
24Die een hovaardig pocher is, zijn naam is spotter; hij gaat met hovaardige verbolgenheid te werk.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
12De spotter zal niet liefhebben, die hem bestraft; hij zal niet gaan tot de wijzen.
22Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?
10De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!
5Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.
1Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.
19De rechtvaardigen zagen het, en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen;
17Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast.
3Als de goddeloze komt, komt ook de verachting en met schande versmaadheid.
16De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.
25Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.
35De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande op zich.
24Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
18Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geeerd worden.
19Die groot is van grimmigheid, zal straf dragen; want zo gij hem uitredt, zo zult gij nog moeten voortvaren.
9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
19Want gij verdraagt gaarne de onwijzen, dewijl gij wijs zijt.
10Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.
25Brand voor brand, wond voor wond, buil voor buil.