Spreuken 19:28
Een Belialsgetuige bespot het recht; en de mond der goddelozen slokt de ongerechtigheid in.
Een Belialsgetuige bespot het recht; en de mond der goddelozen slokt de ongerechtigheid in.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
4De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.
5Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.
29Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor den rug der zotten.
23De goddeloze zal het geschenk uit den schoot nemen, om de paden des rechts te buigen.
7De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.
3Als de goddeloze komt, komt ook de verachting en met schande versmaadheid.
27Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.
28Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond der goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten.
12Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des monds om;
16Wanneer een wrevelige getuige tegen iemand zal opstaan, om een afwijking tegen hem te betuigen;
17Die waarheid voortbrengt, maakt gerechtigheid bekend; maar een getuige der valsheden, bedrog.
5Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal niet ontkomen.
9Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal vergaan.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.
27Een ongerechtig man is den rechtvaardige een gruwel; maar die recht is van weg, is den goddeloze een gruwel.
5Het is niet goed, het aangezicht des goddelozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen.
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.
27Het offer der goddelozen is een gruwel; hoeveel te meer, als zij het met een schandelijk voornemen brengen!
28Een leugenachtig getuige zal vergaan; en een man, die hoort, zal spreken tot overwinning.
29Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.
5Een waarachtig getuige zal niet liegen; maar een vals getuige blaast leugens.
6De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.
20Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat het met den bespotter uit zal zijn, en dat allen, die tot ongerechtigheid waken, uitgeroeid zullen zijn;
21Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen dien strikken, die hen bestraft in de poort; en die den rechtvaardige verdrijven in het woeste.
16Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?
19Een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt.
24Die tot den goddeloze zegt: Gij zijt rechtvaardig; dien zullen de volken vervloeken, de natien zullen hem gram zijn.
18Een man, tegen zijn naaste een valse getuigenis sprekende, is een hamer, en zwaard, en scherpe pijl.
7Wie den spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die den goddeloze bestraft, zijn schandvlek.
6De woorden der goddelozen zijn om op bloed te loeren; maar de mond der oprechten zal ze redden.
7Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
11De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
17Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast.
25Een waarachtig getuige redt de zielen; maar die leugens blaast, is een bedrieger.
9De gedachte der dwaasheid is zonde; en een spotter is den mens een gruwel.
30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
8Spotdrijvende lieden blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren den toorn af.
27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
19De rechtvaardigen zagen het, en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen;
12Zain. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden.
28Een valse tong haat degenen, die zij verbrijzelt; en een gladde mond maakt omstoting.
20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.
19Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.
23Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen.
6Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u.
12De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als God de goddelozen in het kwaad stort.
9De huichelaar verderft zijn naaste door den mond; maar door wetenschap worden de rechtvaardigen bevrijd.
4Die de wet verlaten, prijzen de goddelozen; maar die de wet bewaren, mengen zich in strijd tegen hen.