Job 29:22

Statenvertaling (States Bible)

Na mijn woord spraken zij niet weder, en mijn rede drupte op hen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Deut 32:2 : 2 Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid.
  • Matt 22:46 : 46 En niemand kon Hem een woord antwoorden; noch iemand durfde Hem van dien dag aan iets meer vragen.
  • Hoogl 4:11 : 11 Uw lippen, o bruid! druppen van honigzeem; honig en melk is onder uw tong, en de reuk uwer klederen is als de reuk van Libanon.
  • Jes 52:15 : 15 Alzo zal Hij vele heidenen besprengen, ja, de koningen zullen hun mond over Hem toehouden; want denwelken het niet verkondigd was, die zullen het zien, en welken het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.
  • Ezech 20:46 : 46 Mensenkind, zet uw aangezicht naar den weg van het zuiden, en drup tegen het zuiden; en profeteer tegen het woud van het veld in het zuiden.
  • Am 7:16 : 16 Nu dan, hoor des HEEREN woord: Gij zegt: Gij zult niet profeteren tegen Israel, noch druppen tegen het huis van Izak.
  • Micha 2:6 : 6 Profeteert gijlieden niet, zeggen zij, laat die profeteren; zij profeteren niet als die; men wijkt niet af van smaadheden.
  • Job 32:15-16 : 15 Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer; zij hebben de woorden van zich verzet. 16 Ik heb dan gewacht, maar zij spreken niet; want zij staan stil; zij antwoorden niet meer.
  • Job 33:31-33 : 31 Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken. 32 Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen. 33 Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 29:23-24
    2 verzen
    82%

    23Want zij wachtten naar mij, gelijk naar den regen, en sperden hun mond open, als naar den spaden regen.

    24Lachte ik hun toe, zij geloofden het niet; en het licht mijns aangezichts deden zij niet nedervallen.

  • 21Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad.

  • Job 32:14-16
    3 verzen
    78%

    14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.

    15Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer; zij hebben de woorden van zich verzet.

    16Ik heb dan gewacht, maar zij spreken niet; want zij staan stil; zij antwoorden niet meer.

  • Job 29:9-11
    3 verzen
    75%

    9De oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hun mond.

    10De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.

    11Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.

  • Deut 32:1-2
    2 verzen
    72%

    1Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.

    2Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid.

  • Ps 38:13-14
    2 verzen
    69%

    13En die mijn ziel zoeken, leggen mij strikken; en die mijn kwaad zoeken, spreken verdervingen, en zij overdenken den gansen dag listen.

    14Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet.

  • Ps 39:2-3
    2 verzen
    69%

    2Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.

    3Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.

  • 31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.

  • 11Ziet, ik heb gewacht op ulieder woorden; ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt.

  • 15En toen Hij deze woorden met mij sprak, sloeg ik mijn aangezicht ter aarde, en ik werd stom.

  • 21Doch zij zwegen stil, en antwoordden hem niet een woord; want het gebod des konings was, zeggende: Gij zult hem niet antwoorden.

  • 20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.

  • 27Als dan al de vorsten tot Jeremia kwamen, en hem vraagden, verklaarde hij hun, naar al deze woorden, die de koning geboden had; en zij lieten van hem af, omdat de zaak niet was gehoord.

  • 23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!

  • 22Maar zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun bozen weg, en van de boosheid hunner handelingen.

  • 16Want op U, HEERE! hoop ik; Gij zult verhoren, HEERE, mijn God!

  • 17Oren hebben zij, maar horen niet; ook is er geen adem in hun mond.

  • 9Toen de jongelingen van David gekomen waren, en in Davids naam naar al die woorden tot Nabal gesproken hadden, zo hielden zij stil.

  • 30Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad;

  • 3De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.

  • 33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.

  • 12Tot dewelken Hij gezegd heeft: Dit is de rust, geeft den moeden rust, en dit is de verkwikking; doch zij hebben niet willen horen.

  • 1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.

  • 3Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.

  • 20Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.

  • 28Welke de wolken uitgieten, en over den mens overvloediglijk afdruipen.

  • 14Zij komen aan, als door een wijde breuk; onder de verwoesting rollen zij zich aan.

  • 17Toen zeide de HEERE tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben.

  • 66%

    31En zij komen tot u, gelijk het volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, en horen uw woorden, maar zij doen ze niet; want zij maken liefkozingen met hun mond, maar hun hart wandelt hun gierigheid na.

    32En ziet, gij zijt hun als een lied der minnen, als een, die schoon van stem is, of die wel speelt; daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet.

  • 19Omdat zij naar Mijn woorden niet gehoord hebben, spreekt de HEERE, als Ik Mijn knechten, de profeten, tot hen zond, vroeg op zijnde en zendende; maar gijlieden hebt niet gehoord, spreekt de HEERE.

  • 20Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedriegelijke zaken tegen de stillen in het land.

  • 9Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad des dwazen.

  • 9Dies zeide ik: Ik zal Zijner niet gedenken, en niet meer in Zijn Naam spreken; maar het werd in mijn hart als een brandend vuur, besloten in mijn beenderen; en ik bemoeide mij om te verdragen, maar konde niet.

  • 19En tot het geklank der bazuin, en de stem der woorden; welke die ze hoorden, baden, dat het woord tot hen niet meer zou gedaan worden.

  • 6En hij achterhaalde hen, en sprak tot hen diezelfde woorden.

  • 3En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.

  • 16Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem.

  • 22Nu was de hand des HEEREN op mij geweest des avonds, eer die ontkomene kwam, en had mijn mond opengedaan, totdat hij des morgens tot mij kwam. Alzo werd mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom.

  • 27Ook zult gij al deze woorden tot hen spreken, maar zij zullen naar u niet horen; gij zult wel tot hen roepen, maar zij zullen u niet antwoorden.

  • 6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.

  • 36Doch het volk zweeg stil en antwoordde hem niet een woord; want het gebod des konings was, zeggende: Gij zult hem niet antwoorden.