Psalmen 119:99
Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn.
Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
100Ik ben voorzichtiger dan de ouden, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
102Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.
103Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!
104Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.
105Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.
95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
96In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd.
97Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
98Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.
125Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
13Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.
14Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.
15Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.
127Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.
128Daarom heb ik alle Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat.
129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
130De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende.
33He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
23Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.
24Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
169Thau. O HEERE! laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken, maak mij verstandig naar Uw woord.
111Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
144De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.
26Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.
27Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
72De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver.
73Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.
59Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.
152Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt.
3Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!
171Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.
157Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.
47En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
119Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
78Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.
79Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.
148Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.
69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.