Spreuken 8:15
Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid.
Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
16Door Mij heersen de heersers, en de prinsen, al de rechters der aarde.
17Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.
18Rijkdom en eer is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid.
14Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.
1Ziet, een koning zal regeren in gerechtigheid, en de vorsten zullen heersen naar recht.
4Waar het woord des konings is, daar is heerschappij; en wie zal tot hem zeggen: Wat doet gij?
20Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts;
21Opdat Ik Mijn liefhebbers doe beerven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen.
22De HEERE bezat Mij in het beginsel Zijns wegs, voor Zijn werken, van toen aan.
10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
10Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde!
8Zo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte.
11Gij koningen der aarde, en alle volken, gij vorsten, en alle rechters der aarde!
15Alzo regeerde David over gans Israel, en David deed aan zijn ganse volk recht en gerechtigheid.
8Want hij zegt: Zijn niet mijn vorsten al te zamen koningen?
12Het is der koningen gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd.
13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.
14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.
12Ik, Wijsheid, woon bij de kloekzinnigheid, en vinde de kennis van alle bedachtzaamheid.
1Voor Salomo. O God! geef den koning Uw rechten, en Uw gerechtigheid den zoon des konings.
2Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht.
8Geloofd zij de HEERE, uw God, Die behagen in u gehad heeft, om u op Zijn troon, den HEERE, uw God, tot een koning te zetten; overmits uw God Israel bemint, om hetzelve tot in eeuwigheid op te richten, zo heeft Hij u tot een koning over hen gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.
4En de sterkte des Konings, die het recht lief heeft. Gij hebt billijkheden bevestigd, Gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.
14Een koning, die de armen in trouw recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden.
14Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed.
28Weldadigheid en waarheid bewaren den koning; en door weldadigheid ondersteunt hij zijn troon.
8Maar de HEERE zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.
14Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;
10Waar is uw koning nu? Dat hij u behoude in al uw steden! En uw richters, waar gij van zeidet: Geef mij een koning en vorsten?
2Ik zeg: Neem acht op de mond des konings; doch naar de gelegenheid van den eed Gods.
12Ik, prediker, was koning over Israel te Jeruzalem.
4En Ik zal jongelingen stellen tot hun vorsten, en kinderen zullen over hen heersen;
13Toen deed Hij de overgeblevenen heersen over de heerlijken onder het volk; de HEERE doet mij heersen over de geweldigen.
28En geheel Israel hoorde dat oordeel, dat de koning geoordeeld had, en vreesde voor het aangezicht des konings; want zij zagen, dat de wijsheid Gods in hem was, om recht te doen.
8Om hun koningen te binden met ketenen, en hun achtbaren met ijzeren boeien;
3Om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid, en recht, en billijkheden;
11Want door Mij zullen uw dagen vermenigvuldigen, en de jaren des levens zullen u toegedaan worden.
12En rijkdom en eer zijn voor Uw aangezicht, en Gij heerst over alles; en in Uw hand is kracht en macht; ook staat het in Uw hand alles groot te maken en sterk te maken.
4Zij hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij; zij hebben vorsten gesteld, maar Ik heb het niet gekend; van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelven afgoden gemaakt, opdat zij uitgeroeid worden.
19De HEERE heeft de aarde door wijsheid gegrond, de hemelen door verstandigheid bereid.
4Een koning houdt het land staande door het recht; maar een, die tot geschenken genegen is, verstoort hetzelve.
8God heeft gesproken in Zijn heiligdom, dies zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.
31Want daardoor richt Hij de volken; Hij geeft spijze ten overvloede.
7Hij onttrekt Zijn ogen niet van den rechtvaardige, maar met de koningen zijn zij in den troon; daar zet Hij hen voor altoos, en zij worden verheven.
16Hij heeft de rechtzaak des ellendigen en nooddruftigen gericht, toen ging het hem wel; is dat niet Mij te kennen? spreekt de HEERE.
14Gij hebt een arm met macht; Uw hand is sterk, Uw rechterhand is hoog.
1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.
12De wijsheid, en de wetenschap is u gegeven; daartoe zal Ik u rijkdom, en goederen, en eer geven, dergelijke geen koningen, die voor u geweest zijn, gehad hebben, en na u zal dergelijke niet zijn.
9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.
1Voorts zeide ik: Hoort nu, gij hoofden Jakobs, en gij oversten van het huis Israels! Betaamt het ulieden niet het recht te weten?