Spreuken 8:16
Door Mij heersen de heersers, en de prinsen, al de rechters der aarde.
Door Mij heersen de heersers, en de prinsen, al de rechters der aarde.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
14Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.
15Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid.
11Gij koningen der aarde, en alle volken, gij vorsten, en alle rechters der aarde!
1Ziet, een koning zal regeren in gerechtigheid, en de vorsten zullen heersen naar recht.
17Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.
18Rijkdom en eer is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid.
10Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde!
8Zo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte.
20Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts;
21Opdat Ik Mijn liefhebbers doe beerven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen.
10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
4Waar het woord des konings is, daar is heerschappij; en wie zal tot hem zeggen: Wat doet gij?
23Die de vorsten te niet maakt; de richters der aarde maakt Hij tot ijdelheid.
8Want hij zegt: Zijn niet mijn vorsten al te zamen koningen?
4En Ik zal jongelingen stellen tot hun vorsten, en kinderen zullen over hen heersen;
31Want daardoor richt Hij de volken; Hij geeft spijze ten overvloede.
16Hij heeft de rechtzaak des ellendigen en nooddruftigen gericht, toen ging het hem wel; is dat niet Mij te kennen? spreekt de HEERE.
14Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;
13Toen deed Hij de overgeblevenen heersen over de heerlijken onder het volk; de HEERE doet mij heersen over de geweldigen.
18Rechters en ambtlieden zult gij u stellen in al uw poorten, die de HEERE, uw God, u geven zal, onder uw stammen; dat zij het volk richten met een gericht der gerechtigheid.
8Maar de HEERE zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.
10Waar is uw koning nu? Dat hij u behoude in al uw steden! En uw richters, waar gij van zeidet: Geef mij een koning en vorsten?
8Het voordeel des aardrijks is voor allen: de koning zelfs wordt van het veld gediend.
9Die het geld liefheeft, wordt van het geld niet zat; en wie den overvloed liefheeft, wordt van het inkomen niet zat. Dit is ook ijdelheid.
6En hij zeide tot de richters: Ziet wat gij doet, want gij houdt het gericht niet den mens, maar den HEERE; en Hij is bij u in de zaak van het gericht.
4En de sterkte des Konings, die het recht lief heeft. Gij hebt billijkheden bevestigd, Gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.
1Voor Salomo. O God! geef den koning Uw rechten, en Uw gerechtigheid den zoon des konings.
2Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht.
8Om hun koningen te binden met ketenen, en hun achtbaren met ijzeren boeien;
4Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds.
14Een koning, die de armen in trouw recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden.
12Het is der koningen gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd.
13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.
17Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig,
2Om de overtreding des lands zijn deszelfs vorsten vele; maar om verstandige en wetende mensen zal insgelijks verlenging wezen.
26Velen zoeken het aangezicht des heersers; maar een ieders recht is van den HEERE.
3De God Israels heeft gezegd, de Rotssteen Israels heeft tot mij gesproken: Er zal zijn een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige, een Heerser in de vreze Gods.
8Geloofd zij de HEERE, uw God, Die behagen in u gehad heeft, om u op Zijn troon, den HEERE, uw God, tot een koning te zetten; overmits uw God Israel bemint, om hetzelve tot in eeuwigheid op te richten, zo heeft Hij u tot een koning over hen gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.
4Zij hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij; zij hebben vorsten gesteld, maar Ik heb het niet gekend; van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelven afgoden gemaakt, opdat zij uitgeroeid worden.
22Om zijn vorsten te binden naar zijn lust, en zijn oudsten te onderwijzen.
8Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks.
4Een koning houdt het land staande door het recht; maar een, die tot geschenken genegen is, verstoort hetzelve.
8God heeft gesproken in Zijn heiligdom, dies zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.
15Alzo regeerde David over gans Israel, en David deed aan zijn ganse volk recht en gerechtigheid.
12En rijkdom en eer zijn voor Uw aangezicht, en Gij heerst over alles; en in Uw hand is kracht en macht; ook staat het in Uw hand alles groot te maken en sterk te maken.
28Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden.
12Ik, prediker, was koning over Israel te Jeruzalem.
19Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert Hij om.
23Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.
10Zegt onder de heidenen: De HEERE regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid.