Job 37:13

Statenvertaling (States Bible)

Hetzij dat Hij die tot een roede, of tot Zijn land, of tot weldadigheid beschikt.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 1 Kon 18:45 : 45 En het geschiedde ondertussen, dat de hemel van wolken en wind zwart werd; en er kwam een grote regen; en Achab reed weg, en toog naar Jizreel.
  • 1 Sam 12:18-19 : 18 Toen Samuel den HEERE aanriep, zo gaf de HEERE donder en regen te dien dage; daarom vreesde al het volk zeer den HEERE en Samuel. 19 En al het volk zeide tot Samuel: Bid voor uw knechten den HEERE, uw God, dat wij niet sterven; want boven al onze zonden hebben wij dit kwaad daartoe gedaan, dat wij voor ons een kong begeerd hebben.
  • Job 38:26-27 : 26 Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is; 27 Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen.
  • Ezra 10:9 : 9 Toen verzamelden zich alle mannen van Juda en Benjamin te Jeruzalem in drie dagen; het was de negende maand op den twintigsten in de maand; en al het volk zat op de straat van Gods huis, sidderende om deze zaak, en vanwege de plasregenen.
  • Job 36:31 : 31 Want daardoor richt Hij de volken; Hij geeft spijze ten overvloede.
  • Job 37:6 : 6 Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.
  • Job 38:37-38 : 37 Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen? 38 Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?
  • Joël 2:23 : 23 En gij, kinderen van Sion! verheugt u en zijt blijde in den HEERE, uw God; want Hij zal u geven dien Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u den regen doen nederdalen, den vroegen regen en den spaden regen in de eerste maand.
  • 2 Sam 21:10 : 10 Toen nam Rizpa, de dochter van Aja, een zak, en spande dien voor zich uit op een rotssteen, van het begin van den oogst, totdat er water op hen drupte van den hemel; en zij liet het gevogelte des hemels op hen niet rusten des daags, noch het gedierte van het veld des nachts.
  • 2 Sam 21:14 : 14 En zij begroeven de beenderen van Saul en zijn zoon Jonathan in het land van Benjamin te Zela, in het graf van zijn vader Kis, en deden alles, wat de koning geboden had. Alzo werd God na dezen den lande verbeden.
  • Ex 9:18-25 : 18 Zie, Ik zal morgen omtrent dezen tijd een zeer zware hagel doen regenen, desgelijks in Egypte niet geweest is van dien dag af, dat het gegrond is, tot nu toe. 19 En nu, zend heen, vergader uw vee, en alles wat gij op het veld hebt; alle mens en gedierte, dat op het veld gevonden zal worden, en niet in huis verzameld zal zijn, als deze hagel op hen vallen zal, zo zullen zij sterven. 20 Wie onder Farao's knechten des HEEREN woord vreesde, die deed zijn knechten en zijn vee in de huizen vlieden; 21 Doch die zijn hart niet zette tot des HEEREN woord, die liet zijn knechten en zijn vee op het veld. 22 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Strek uw hand uit naar den hemel, en er zal hagel zijn in het ganse Egypteland; over de mensen, en over het vee, en over al het kruid des velds in Egypteland. 23 Toen strekte Mozes zijn staf naar den hemel; en de HEERE gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde; en de HEERE liet hagel regenen over Egypteland. 24 En er was hagel, en vuur in het midden des hagels vervangen; hij was zeer zwaar; desgelijks is in het ganse Egypteland nooit geweest, sedert het tot een volk geweest is. 25 En de hagel sloeg, in het ganse Egypteland, alles wat op het veld was, van de mensen af tot de beesten toe; ook sloeg de hagel al het kruid des velds, en verbrak al het geboomte des velds.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 37:11-12
    2 verzen
    81%

    11Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts.

    12Die keert zich dan naar Zijn wijzen raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde.

  • Ps 135:6-7
    2 verzen
    75%

    6Al wat den HEERE behaagt, doet Hij, in de hemelen, en op de aarde, in de zeeen en alle afgronden.

    7Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit Zijn schatkameren voort.

  • 3Dat zendt Hij rechtuit onder den gansen hemel, en Zijn licht over de einden der aarde.

  • Job 37:14-15
    2 verzen
    73%

    14Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.

    15Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht Zijner wolk laat schijnen?

  • 6Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.

  • 72%

    32Caph. Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen, naar de grootheid Zijner goedertierenheden.

    33Caph. Want Hij plaagt of bedroeft des mensenkinderen niet van harte.

  • 15Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om.

  • 71%

    37Mem. Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zo het de Heere niet beveelt?

    38Mem. Gaat niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede?

  • 27Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten;

  • 13Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.

  • Job 5:17-18
    2 verzen
    71%

    17Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.

    18Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen.

  • 16Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.

  • 29Als Hij stilt, wie zal dan beroeren? Als Hij het aangezicht verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen, zowel voor een volk, als voor een mens alleen?

  • 22Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit!

  • Job 23:13-14
    2 verzen
    70%

    13Maar is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkeren? Wat Zijn ziel begeert, dat zal Hij doen.

    14Want Hij zal volbrengen, dat over mij bescheiden is; en diergelijke dingen zijn er vele bij Hem.

  • 12Want de HEERE kastijdt dengene, dien Hij liefheeft, ja, gelijk een vader den zoon, in denwelken hij een welbehagen heeft.

  • 18Hij zendt Zijn woord, en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien henen.

  • 25Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft.

  • 13Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de ganse wereld geschikt?

  • Job 38:25-27
    3 verzen
    69%

    25Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?

    26Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is;

    27Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen.

  • 5Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.

  • 10Die den regen geeft op de aarde, en water zendt op de straten;

  • Job 36:31-32
    2 verzen
    69%

    31Want daardoor richt Hij de volken; Hij geeft spijze ten overvloede.

    32Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.

  • 11Want naar het werk des mensen vergeldt Hij hem, en naar eens ieders weg doet Hij het hem vinden.

  • 24Kastijd mij, HEERE! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niet maakt.

  • 10Indien Hij voorbijgaat, opdat Hij overlevere of vergadere, wie zal dan Hem afkeren?

  • 13Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden?

  • 26Als Hij den regen een gezette orde maakte, en een weg voor het weerlicht der donderen;

  • 1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.

  • 10En Hij openbaart het voor hunlieder oor ter tucht, en zegt, dat zij zich van de ongerechtigheid bekeren zouden.

  • 15Hij zendt Zijn bevel op aarde; Zijn woord loopt zeer snel.

  • 12Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?

  • 3Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht; blijf niet staande in een kwade zaak; want al wat hem lust, doet hij.

  • 13Voor het aangezicht des HEEREN; want Hij komt, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn waarheid.

  • 14Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.

  • 9Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.

  • 11Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht.

  • 3En de HEERE heeft het doen komen, en gedaan, gelijk als Hij gesproken had; want gijlieden hebt gezondigd tegen den HEERE, en Zijner stem niet gehoorzaamd; daarom is ulieden deze zaak geschied.

  • 26En zijn God onderricht hem van de wijze, Hij leert hem.

  • 29Zulks komt ook voort van den HEERE der heirscharen; Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad.