Klaagliederen 3:35
Lamed. Dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten;
Lamed. Dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
36Lamed. Dat men een mens verongelijkt in zijn twistzaak; zou het de Heere niet zien?
37Mem. Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zo het de Heere niet beveelt?
34Lamed. Dat men al de gevangenen der aarde onder Zijn voeten verbrijzelt;
2Om de armen van het recht af te wenden, en om het recht der ellendigen Mijns volks te roven, opdat de weduwen hun buit worden, en opdat zij de wezen mogen plunderen!
3Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?
23Die den goddeloze rechtvaardigen om een geschenk, en de gerechtigheid der rechtvaardigen van dezelven afwenden.
17Zou hij ook, die het recht haat, den gewonde verbinden, en zoudt gij den zeer Rechtvaardige verdoemen?
21Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen dien strikken, die hen bestraft in de poort; en die den rechtvaardige verdrijven in het woeste.
7Die het recht in alsem verkeren, en de gerechtigheid ter aarde doen liggen.
5Het is niet goed, het aangezicht des goddelozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen.
3Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?
16Ain. De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.
18Om den wees en verdrukte recht te doen; opdat een mens van de aarde niet meer voortvare geweld te bedrijven.
12Ook waarlijk, God handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet.
8Het voordeel des aardrijks is voor allen: de koning zelfs wordt van het veld gediend.
27Een ongerechtig man is den rechtvaardige een gruwel; maar die recht is van weg, is den goddeloze een gruwel.
13De HEERE stelt Zich om te pleiten, en Hij staat, om de volken te richten.
5Zijn wegen maken ten allen tijde smarte; Uw oordelen zijn een hoogte, verre van hem; al zijn tegenpartijders, die blaast hij aan.
12De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als God de goddelozen in het kwaad stort.
9Hoort nu dit, gij hoofden van het huis Jakobs, en gij oversten van het huis Israels! die van het gericht een gruwel hebt, en al wat recht is verkeert;
6Hij laat den goddeloze niet leven, en het recht der ellendigen beschikt Hij.
6Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand.
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
4Daarom wordt de wet onderlaten, en het recht komt nimmermeer voort; want de goddeloze omringt den rechtvaardige; daarom komt het recht verdraaid voor.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
26Hij klopt hen samen als goddelozen, in een plaats, waar aanschouwers zijn;
11Dan zal hij den geest veranderen, en hij zal doortrekken, en zich schuldig maken, houdende deze zijn kracht voor zijn God.
15Wie den goddeloze rechtvaardigt, en den rechtvaardige verdoemt, zijn den HEERE een gruwel, ja, die beiden.
3Ook zult gij den geringe niet voortrekken en zijn twistige zaak.
11Wijkt af van den weg, maakt u van de baan; laat den Heilige Israels van ons ophouden!
17Opdat Hij den mens afwende van zijn werk, en van den man de hovaardij verberge;
9De HEERE bewaart de vreemdelingen; Hij houdt den wees en de weduwe staande; maar der goddelozen weg keert Hij om.
6Gij zult het recht uws armen niet buigen in zijn twistige zaak.
19Vervloekt zij, die het recht van den vreemdeling, van den wees en van de weduwe buigt! En al het volk zal zeggen: Amen.
2Hoe lang zult gijlieden onrecht oordelen, en het aangezicht der goddelozen aannemen? Sela.
7De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.
3Want de goddeloze roemt over den wens zijner ziel; hij zegent den gierigaard, hij lastert den HEERE.
3Gerechtigheid en recht te doen is bij den HEERE uitgelezener dan offer.
23Want de HEERE zal hun twistzaak twisten, en Hij zal dengenen, die hen beroven, de ziel roven.
23Gewisselijk, Hij legt den mens niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zou mogen treden.
1Wanneer er tussen lieden twist zal zijn, en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij den rechtvaardige rechtvaardig spreken, en den onrechtvaardige verdoemen.
5Wanneer nu iemand rechtvaardig is, en doet recht en gerechtigheid;
11Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.
3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.
12Want Ik weet, dat uw overtredingen menigvuldig, en uw zonden machtig vele zijn; zij benauwen den rechtvaardige, nemen zoengeld, en verstoten de nooddruftigen in de poort.
29Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
28Dat ware ook een misdaad bij den rechter; want ik zou den God van boven verzaakt hebben.
8Uw goddeloosheid zou zijn tegen een man, gelijk gij zijt, en uw gerechtigheid voor eens mensen kind.
9Die Zich verkwikt door verwoesting over een sterke; zodat de verwoesting komt over een vesting.