Spreuken 20:6
Elk van de menigte der mensen roept zijn weldadigheid uit; maar wie zal een recht trouwen man vinden?
Elk van de menigte der mensen roept zijn weldadigheid uit; maar wie zal een recht trouwen man vinden?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
7De rechtvaardige wandelt steeds in zijn oprechtheid; welgelukzalig zijn zijn kinderen na hem.
5De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen.
20Voorwaar, er is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet, en niet zondigt.
22De wens des mensen is zijn weldadigheid; maar de arme is beter dan een leugenachtig man.
10Aleph. Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is verre boven de robijnen.
5Teth. Wel dien man, die zich ontfermt en uitleent; Jod. hij beschikt zijn zaken met recht.
21Die rechtvaardigheid en weldadigheid najaagt, zal het leven, rechtvaardigheid en eer vinden.
22De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.
20Een gans getrouw man zal veelvoudig zijn in zegeningen; maar die haastig is, om rijk te worden, zal niet onschuldig wezen.
6Velen smeken het aangezicht des prinsen; en een ieder is een vriend desgenen, die giften geeft.
2De goede zal een welgevallen trekken van den HEERE; maar een man van schandelijke verdichtselen zal Hij verdoemen.
20Die op het woord verstandelijk let, zal het goede vinden; en die op den HEERE vertrouwt, is welgelukzalig.
27Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid; maar wie het kwade natracht, dien zal het overkomen.
4En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.
6De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
10Die getrouw is in het minste, die is ook in het grote getrouw; en die in het minste onrechtvaardig is, die is ook in het grote onrechtvaardig.
8Een ieder zal geprezen worden, naardat zijn verstandigheid is; maar die verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen.
2De goedertierene is vergaan uit het land, en er is niemand oprecht onder de mensen; zij loeren altemaal op bloed, zij jagen, een iegelijk zijn broeder, met een jachtgaren.
11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.
2Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.
20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Scheminith.
26Velen zoeken het aangezicht des heersers; maar een ieders recht is van den HEERE.
16De gift des mensen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht der groten.
17Die de eerste is in zijn twistzaak, schijnt rechtvaardig te zijn; maar zijn naaste komt, en hij onderzoekt hem.
29Hebt gij een man gezien, die vaardig in zijn werk is? Hij zal voor het aangezicht der koningen gesteld worden; voor het aangezicht der ongeachte lieden zal hij niet gesteld worden.
1Er is een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, en het is veel onder de mensen:
9Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde?
8Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
13Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!
11Voorwaar, er zijn veel dingen, die de ijdelheid vermeerderen; wat heeft de mens te meer daarvan?
16Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.
27Ziet, dit heb ik gevonden, zegt de prediker, het ene bij het andere, om de sluitrede te vinden;
28Dewelke mijn ziel nog zoekt, maar ik heb haar niet gevonden: een man uit duizend heb ik gevonden; maar een vrouw onder die allen heb ik niet gevonden.
29Alleenlijk ziet, dit heb ik gevonden, dat God den mens recht gemaakt heeft, maar zij hebben veel vonden gezocht.
45De goede mens brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten; en de kwade mens brengt het kwade voort uit den kwaden schat zijns harten; want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond.
2En voorts wordt in de uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden worde.
22Die een vrouw gevonden heeft, heeft een goede zaak gevonden, en hij heeft welgevallen getrokken van den HEERE.
24Hetgeen verre af is, en zeer diep, wie zal dat vinden?
35De goede mens brengt goede dingen voort uit den goede schat des harten, en de boze mens brengt boze dingen voort uit den boze schat.
1De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.
2Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
6Welke een iegelijk vergelden zal naar zijn werken;
2De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.
10Maar toch gij allen, keert weder, en komt nu; want ik vind onder u geen wijze.
7God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.
2Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt;