Spreuken 15:22
De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid der raadslieden zal elkeen bestaan.
De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid der raadslieden zal elkeen bestaan.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
14Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid der raadslieden.
15Als iemand voor een vreemde borg geworden is, hij zal zekerlijk verbroken worden; maar wie degenen haat, die in de hand klappen, is zeker.
6Want door wijze raadslagen zult gij voor u den krijg voeren, en in de veelheid der raadgevers is de overwinning.
7Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.
18Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voer oorlog met wijze raadslagen.
20Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.
21In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.
23Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!
20Een wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
30Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen den HEERE.
28In de menigte des volks is des konings heerlijkheid; maar in gebrek van volk is eens vorsten verstoring.
28Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.
3Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?
22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
23In allen smartelijke arbeid is overschot; maar het woord der lippen strekt alleen tot gebrek.
24Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
22De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.
5De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen.
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
20Bedrog is in het hart dergenen, die kwaad smeden; maar degenen die vrede raden, hebben blijdschap.
20Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die der zotten metgezel is, zal verbroken worden.
18Als er geen profetie is, wordt het volk ontbloot; maar welgelukzalig is hij, die de wet bewaart.
14Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;
18Hij had immers hun huizen met goed gevuld; daarom is de raad der goddelozen verre van mij.
10Beraadslaagt een raad, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch het zal niet bestaan; want God is met ons!
28Want Ik zag toe, maar er was niemand, zelfs onder dezen, maar er was geen raadgever, dat Ik hen zou vragen, en zij Mij antwoord geven zouden.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
3Door wijsheid wordt een huis gebouwd, en door verstandigheid bevestigd;
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
17Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig,
21De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.
22De zegen des HEEREN, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij.
15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
19De wijsheid versterkt den wijze meer dan tien heerschappers, die in een stad zijn.
10Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.
5Der rechtvaardigen gedachten zijn recht; der goddelozen raadslagen zijn bedrog.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
16Doch ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad der goddelozen is verre van mij.
13Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid; dat de raad der verdraaiden gestort wordt.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
5De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder, die haastig is, alleen tot gebrek.
16Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, dewijl hij geen verstand heeft?
10De HEERE vernietigt den raad der heidenen; Hij breekt de gedachten der volken.
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
16Beter is weinig met de vreze des HEEREN, dan een grote schat, en onrust daarbij.