Prediker 7:8
Het einde van een ding is beter dan zijn begin; de lankmoedige is beter dan de hoogmoedige.
Het einde van een ding is beter dan zijn begin; de lankmoedige is beter dan de hoogmoedige.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.
10Zeg niet: Wat is er, dat de vorige dagen beter geweest zijn, dan deze? Want gij zoudt naar zulks niet uit wijsheid vragen.
11De wijsheid is goed met een erfdeel; en degenen, die de zon aanschouwen, hebben voordeel daarvan.
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
1Beter is een goede naam, dan goede olie, en de dag des doods, dan de dag dat iemand geboren wordt.
2Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds; want in hetzelve is het einde aller mensen, en de levende legt het in zijn hart.
3Het treuren is beter dan het lachen; want door de droefheid des aangezichts wordt het hart gebeterd.
4Het hart der wijzen is in het klaaghuis; maar het hart der zotten in het huis der vreugde.
5Het is beter te horen het bestraffen des wijzen, dan dat iemand hore het gezang der dwazen.
32De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.
18Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.
19Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan roof te delen met de hovaardigen.
13Aanmerk het werk Gods; want wie kan recht maken, dat Hij krom gemaakt heeft?
14Geniet het goede ten dage des voorspoeds, maar ten dage des tegenspoeds, zie toe; want God maakt ook den een tegenover den ander, ter oorzake dat de mens niet zou vinden iets, dat na hem zal zijn.
15Dit alles heb ik gezien in de dagen mijner ijdelheid; er is een rechtvaardige, die in zijn gerechtigheid omkomt; daarentegen is er een goddeloze, die in zijn boosheid zijn dagen verlengt.
6Een hand vol met rust is beter, dan beide de vuisten vol met arbeid en kwelling des geestes.
7Voorwaar, de onderdrukking zou wel een wijze dol maken; en het geschenk verderft het hart.
9Beter is het aanzien der ogen, dan het wandelen der begeerlijkheid. Dit is ook ijdelheid en kwelling des geestes.
3Ja, hij is beter dan die beiden, die nog niet geweest is, die niet gezien heeft het boze werk, dat onder de zon geschiedt.
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
16Beter is weinig met de vreze des HEEREN, dan een grote schat, en onrust daarbij.
8Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.
21Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden.
11Ziet, wij houden hen gelukzalig, die verdragen; gij hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord, en gij hebt het einde des Heeren gezien, dat de Heere zeer barmhartig is en een Ontfermer.
7Uw beginsel zal wel gering zijn; maar uw laatste zal zeer vermeerderd worden.
27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.
13Het hart zal ook in het lachen smart hebben; en het laatste van die blijdschap is droefheid.
13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.
14De geest eens mans zal zijn krankheid ondersteunen; maar een verslagen geest, wie zal dien opheffen?
16Er is geen einde van al het volk, van allen, die voor hen geweest zijn; de nakomelingen zullen zich ook over hem niet verblijden; gewisselijk, dat is ook ijdelheid en kwelling des geestes. [ (Ecclesiastes 4:17) Bewaar uw voet, als gij tot het huis Gods ingaat, en zijt liever nabij om te horen, dan om der zotten slachtoffer te geven; want zij weten niet, dat zij kwaad doen. ]
7Daleth. Zwijg den HEERE, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert.
8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
13Beter is een arm en wijs jongeling, dan een oud en zot koning, die niet weet van meer vermaand te worden.
7Want het is beter, dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, dien uw ogen gezien hebben.
8Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.
3Wetende, dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt.
4Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk.
8Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op den mens te vertrouwen.
17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
7En het einde aller dingen is nabij; zijt dan nuchteren, en waakt in de gebeden.
6De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.
20Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.
16Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.
12Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer.
10Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.
17De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen, die over de zotten heerst.
1Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist.
22Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen.
4Als de geest des heersers tegen u oprijst, verlaat uw plaats niet; want het is medicijn, het stilt grote zonden.
18Het is goed, dat gij daaraan vasthoudt, en trek ook uw hand van dit niet af; want die God vreest, dien ontgaat dat al.