1 Samuël 2:4
De boog der sterken is gebroken; en die struikelden, zijn met sterkte omgord.
De boog der sterken is gebroken; en die struikelden, zijn met sterkte omgord.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
5Die verzadigd waren, hebben zich verhuurd om brood, en die hongerig waren, zijn het niet meer; totdat de onvruchtbare zeven heeft gebaard, en die vele kinderen had, krachteloos is geworden.
14Cheth. De goddelozen hebben het zwaard uitgetrokken, en hun boog gespannen, om den ellendige en nooddruftige neder te vellen, om te slachten, die oprecht van weg zijn.
15Hun zwaard zal in hunlieder hart gaan; en hun bogen zullen verbroken worden.
17Want de armen der goddelozen zullen verbroken worden; maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen.
9Die Zich verkwikt door verwoesting over een sterke; zodat de verwoesting komt over een vesting.
35Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.
34Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en Hij stelt mij op mijn hoogten.
4Uw woorden hebben den struikelende opgericht, en de krommende knieen hebt gij vastgesteld;
5Gij zijt doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen.
10De brulling des leeuws, en de stem des fellen leeuws, en de tanden der jonge leeuwen worden verbroken.
15En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken?
25Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.
1De verstrooier trekt tegen uw aangezicht op, bewaar de vesting; bezichtig den weg; sterk de lenden, versterk de kracht zeer.
2Want de HEERE heeft de hovaardij Jakobs afgewend, gelijk de hovaardij Israels; want de ledigmakers hebben ze ledig gemaakt, en zij hebben hun wijnranken verdorven.
27Hoe zijn de helden gevallen, en de krijgswapenen verloren!
3Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want de HEERE is een God der wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan.
21Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt den riem der geweldigen.
10Slaat uw spaden tot zwaarden, en uw sikkelen tot spiesen; de zwakke zegge: Ik ben een held.
40Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.
14Zodat de snelle niet zal ontvlieden, en de sterke zijn kracht niet verkloeken, en een held zal zijn ziel niet bevrijden.
15En die den boog handelt, zal niet bestaan, en die licht is op zijn voeten, zal zich niet bevrijden; ook zal, die te paard rijdt, zijn ziel niet bevrijden.
16En de kloekhartigste onder de helden zal te dien dage naakt heenvlieden, spreekt de HEERE.
8Dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van den Naam des HEEREN, onzes Gods.
15Dan zal de gemene man nedergebogen worden, en de aanzienlijke man zal vernederd worden, en de ogen der hovaardigen zullen vernederd worden.
9De weduwen hebt gij ledig weggezonden, en de armen der wezen zijn verbrijzeld.
7Als zij u bij uw hand grepen, zo werdt gij gebroken, en spleet hun alle zijden; en als zij op u leunden, zo werdt gij verbroken, en liet alle lenden op zichzelven staan.
19Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert Hij om.
5De HEERE heeft den stok der goddelozen gebroken, den scepter der heersers.
4Toen de ganse strijd dergenen, die streden, met gedruis geschiedde, en de klederen in het bloed gewenteld en verbrand werden, tot een voedsel des vuurs.
16Zijn pijlkoker is als een open graf; zij zijn altemaal helden.
3En in Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion.
39Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten.
17Alle handen zullen slap worden, en alle knieen zullen henenvlieten als water.
3Versterkt de slappe handen, en stelt de struikelende knieen vast.
29Hij geeft den moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft.
30De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen;
22De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.
4Want de wapenen van onzen krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping der sterkten;
10Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten.
4Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd.
14Nun. Het juk mijner overtredingen is aangebonden door Zijn hand, zij zijn samengevlochten, zij zijn op mijn hals geklommen; Hij heeft mijn kracht doen vervallen; de HEERE heeft mij in hun handen gegeven, ik kan niet opstaan.
5Hij zal aan zijn voortreffelijken gedenken, doch zij zullen struikelen in hun tochten; zij zullen haasten naar hun muur, als het beschutsel vaardig zal wezen.
23Uw touwen zijn slap geworden, zij zullen hun mastboom niet kunnen recht stijf houden, zij zullen het zeil niet uitspannen; dan zal de roof van een overvloedigen buit uitgedeeld worden, zelfs zullen de lammen den roof roven.
14Samech. De HEERE ondersteunt allen, die vallen, en Hij richt op alle gebogenen.
32Want wie is God, behalve de HEERE? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God?
30Babels helden hebben opgehouden te strijden, zij zijn gebleven in de vestingen, hun macht is bezweken, zij zijn tot wijven geworden; zij hebben hun woningen aangestoken, hun grendels zijn verbroken.
15Ik heb hen wel getuchtigd, en hunlieder armen gesterkt; maar zij denken kwaad tegen Mij.
5Ik zal gaan tot de groten, en met hen spreken, want die weten den weg des HEEREN, het recht huns Gods; maar zij hadden te zamen het juk verbroken, en de banden verscheurd.
17Cheth. Zij gordt haar lenden met kracht, en zij versterkt haar armen.
10Die met den HEERE twisten, zullen verpletterd worden; Hij zal in den hemel over hen donderen; de HEERE zal de einden der aarde richten, en zal Zijn Koning sterkte geven, en den hoorn Zijns Gezalfden verhogen.