Job 39:17
Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt.
Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
14Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten?
15Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer?
16Zijn an u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels?
18En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen?
18Er is niemand van al de kinderen, die zij gebaard heeft, die haar zachtjes leidt; en niemand van al de kinderen, die zij opgevoed heeft, die haar bij de hand grijpt.
19Deze twee dingen zijn u wedervaren, wie heeft medelijden met u? Er is verwoesting, en verbreking, en honger, en zwaard, door wien zal Ik u troosten?
28Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.
13Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid zelve, en weet niet met al.
14En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;
20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?
2Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand;
3En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.
12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
17Die den leidsman harer jonkheid verlaat, en het verbond haars Gods vergeet;
18Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.
4Want hun hart hebt Gij van kloek verstand verborgen; daarom zult Gij hen niet verhogen.
13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?
35Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.
16Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, dewijl hij geen verstand heeft?
13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
19De HEERE heeft de aarde door wijsheid gegrond, de hemelen door verstandigheid bereid.
13Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.
5Want ook de hinden in het veld werpen jongen, en verlaten die, omdat er geen jong gras is.
6O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.
30Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen den HEERE.
2Zij hoort naar de stem niet; zij neemt de tucht niet aan; zij vertrouwt niet op den HEERE; tot haar God nadert zij niet.
1Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.
36Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?
9De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.
22Een schone vrouw, die van rede afwijkt, is een gouden bagge in een varkenssnuit.
3En Mij harer kinderen niet ontferme, omdat zij kinderen der hoererijen zijn.
20Hij beneemt den getrouwen de spraak, en der ouden oordeel neemt Hij weg.
12Dan zal een verstandeloos man kloekzinnig worden; hoewel de mens als het veulen eens woudezels geboren is.
22Zekerlijk, Mijn volk is dwaas, Mij kennen zij niet; het zijn zotte kinderen, en zij zijn niet verstandig; wijs zijn zij om kwaad te doen, maar goed te doen weten zij niet.
18(Want van mijn jonkheid af is hij bij mij opgetogen, als bij een vader, en van mijner moeders buik af heb ik haar geleid;)
9De wijzen zijn beschaamd, verschrikt en gevangen; ziet, zij hebben des HEEREN woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben?
17Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig,
4Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:
1Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?
11Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;
6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
10Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen.
14Geef hun, HEERE! Wat zult Gij geven? Geef hun een misdragende baarmoeder, en uitdrogende borsten.
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
19Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God; want er is geschreven: Hij vat de wijzen in hun arglistigheid;
57En dat om haar nageboorte, die van tussen haar voeten uitgegaan zal zijn, en om haar zonen, die zij gebaard zal hebben; want zij zal hen eten in het verborgene, vermits gebrek van alles; in de belegering en in de benauwing, waarmede uw vijand u zal benauwen in uw poorten.
16Het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde, die van water niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg!
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
20Zo zijn lenden mij niet gezegend hebben, toen hij van de vellen mijner lammeren verwarmd werd;