Psalmen 89:45

Statenvertaling (States Bible)

Gij hebt zijn schoonheid doen ophouden; en Gij hebt zijn troon ter aarde nedergestoten.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 109:29 : 29 Laat mijn tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hun beschaamdheid zich bedekken, als met een mantel.
  • Ps 44:15 : 15 Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken.
  • Ps 71:13 : 13 Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijn ziel tegen zijn; laat hen met smaad en schande overdekt worden, die mijn kwaad zoeken.
  • Ps 89:28-29 : 28 Ook zal Ik hem ten eerstgeborenen zoon stellen, ten hoogste over de koningen der aarde. 29 Ik zal hem Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, en Mijn verbond zal hem vast blijven.
  • Ps 102:23 : 23 Wanneer de volken samen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om den HEERE te dienen.
  • Jes 63:18 : 18 Uw heilig volk heeft het maar een weinig tijds bezeten; onze wederpartijders hebben Uw heiligdom vertreden.
  • Micha 7:10 : 10 En mijn vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken; die tot mij zegt: Waar is de HEERE, uw God? Mijn ogen zullen aan haar zien; nu zal zij worden tot vertreding, als slijk der straten.
  • 2 Kron 10:19 : 19 Alzo vielen de Israelieten van het huis van David af, tot op dezen dag.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 89:38-44
    7 verzen
    85%

    38Hij zal eeuwiglijk bevestigd worden, gelijk de maan; en de Getuige in den hemel is getrouw. Sela.

    39Maar Gij hebt hem verstoten en verworpen; Gij zijt verbolgen geworden tegen Uw gezalfde.

    40Gij hebt het verbond Uws knechts te niet gedaan; Gij hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde.

    41Gij hebt al zijn muren doorgebroken; Gij hebt zijn vestingen nedergeworpen.

    42Allen, die den weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn naburen is hij tot een smaad geweest.

    43Gij hebt de rechterhand zijner wederpartijders verhoogd; Gij hebt al zijn vijanden verblijd.

    44Gij hebt ook de scherpte zijns zwaards omgekeerd, en hebt hem niet staande gehouden in den strijd.

  • Ps 89:46-49
    4 verzen
    81%

    46Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort; Gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela.

    47Hoe lang, o HEERE! zult Gij U steeds verbergen, zal Uw grimmigheid branden als een vuur?

    48Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?

    49Wat man leeft er, die den dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden van het geweld des grafs? Sela.

  • 23Wanneer de volken samen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om den HEERE te dienen.

  • Ps 39:4-5
    2 verzen
    74%

    4Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong:

    5HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij.

  • 72%

    2Als ik roep, verhoor mij, o God mijner gerechtigheid! In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed.

  • 9In God roemen wij den gansen dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela.

  • 15Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken.

  • Ps 102:10-11
    2 verzen
    71%

    10Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.

    11Vanwege Uw verstoordheid en Uw groten toorn; want Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen.

  • Ps 39:10-11
    2 verzen
    71%

    10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.

    11Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand.

  • 12Mijn levenstijd is weggetogen, en van mij weggevoerd gelijk eens herders hut; ik heb mijn leven afgesneden, gelijk een wever zijn web; Hij zal mij afsnijden, als van den drom; van den dag tot den nacht zult Gij mij ten einde gebracht hebben.

  • Ps 90:8-9
    2 verzen
    71%

    8Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns.

    9Want al onze dagen gaan henen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte.

  • 70%

    43Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood, Gij hebt niet verschoond.

    44Samech. Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam.

    45Samech. Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken.

  • 5Gij hebt het kwade liever dan het goede, de leugen, dan gerechtigheid te spreken. Sela.

  • 14Maar ik, HEERE! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in den morgenstond.

  • 9Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft Hij weggenomen.

  • 9Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht?

  • 6Gijlieden beschaamt den raad des ellendigen, omdat de HEERE zijn Toevlucht is.

  • 2Gij zijt Uw lande gunstig geweest, HEERE! de gevangenis van Jakob hebt Gij gewend.

  • 5Het leven heeft hij van U begeerd. Gij hebt het hem gegeven; lengte van dagen, eeuwiglijk en altoos.

  • 51Gedenk, HEERE! aan de smaad Uwer knechten, dien ik in mijn boezem draag, van alle grote volken.

  • 8Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt;

  • 26Want Gij schrijft tegen mij bittere dingen; en Gij doet mij erven de misdaden mijner jonkheid.

  • 2O HEERE! de koning is verblijd over Uw sterkte; en hoezeer is hij verheugd over Uw heil!

  • 3Gij doet den mens wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen!

  • 4De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.

  • 7Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels!

  • 7Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten.

  • 8Dat Gij mij rimpelachtig gemaakt hebt, is tot een getuige; en mijn magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht.

  • 4Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.

  • 19Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil.

  • 16Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig.

  • 19Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad.

  • 3Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij.

  • 13Gij toogt uit tot verlossing Uws volks, tot verlossing met Uw Gezalfde; Gij doorwonddet het hoofd van het huis des goddelozen, ontblotende den grond tot den hals toe. Sela.

  • 5Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans?