Psalmen 115:5

Statenvertaling (States Bible)

Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Jer 10:5 : 5 Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 135:15-18
    4 verzen
    96%

    15De afgoden der heidenen zijn zilver en goud, een werk van mensenhanden.

    16Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;

    17Oren hebben zij, maar horen niet; ook is er geen adem in hun mond.

    18Dat die ze maken, hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.

  • Ps 115:6-8
    3 verzen
    90%

    6Oren hebben zij, maar horen niet; zij hebben een neus, maar zij rieken niet;

    7Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel.

    8Dat die hen maken hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.

  • 4Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van des mensen handen;

  • 18Zij weten niet, en verstaan niet, want het heeft hun ogen bestreken, dat zij niet zien, en hun harten, dat zij niet verstaan.

  • 21Hoort nu dit, gij dwaas en harteloos volk! die ogen hebben, maar zien niet, die oren hebben, maar horen niet.

  • 5Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen.

  • Jes 44:9-10
    2 verzen
    72%

    9De formeerders van gesneden beelden zijn al te zamen ijdelheid, en hun gewenste dingen doen geen nut; ja, zij zelven zijn hun getuigen; zij zien niet, en zij weten niet, daarom zullen zij beschaamd worden.

    10Wie formeert een god, en giet een beeld, dat geen nut doet?

  • 18Hoort, gij doven! en schouwt aan, gij blinden! om te zien.

  • 4Maar de HEERE heeft ulieden niet gegeven een hart om te verstaan, noch ogen om te zien, noch oren om te horen, tot op dezen dag.

  • 7Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.

  • 20Gij ziet wel veel dingen, maar gij bewaart ze niet; of schoon hij de oren opendoet, zo hoort hij toch niet.

  • 70%

    13Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en horende niet horen, noch ook verstaan.

    14En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken.

  • 8(Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op den huidigen dag.

  • 18Ogen hebbende, ziet gij niet? En oren hebbende, hoort gij niet?

  • 15Ijdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.

  • 7Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.

  • 17De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.

  • 10Hun wachters zijn allen blind, zij weten niet; zij allen zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen; zij zijn slaperig, zij liggen neder, zij hebben het sluimeren lief.

  • 5Zij weten niet, en verstaan niet; zij wandelen steeds in duisternis; dies wankelen alle fondamenten der aarde.

  • 3En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.

  • 7En zeggen: De HEERE ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.

  • 5Alsdan zullen der blinden ogen opengedaan worden, en der doven oren zullen geopend worden.

  • 4Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet?

  • Jer 51:17-18
    2 verzen
    69%

    17Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft; een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen, en er is geen geest in hen.

    18Ijdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.

  • 15Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer; zij hebben de woorden van zich verzet.

  • 8Ook is hun land vervuld met afgoden; voor het werk hunner handen buigen zij zich neder, voor hetgeen hun vingeren gemaakt hebben.

  • 19Wee dien, die tot het hout zegt: Word wakker! en: Ontwaak! tot den zwijgenden steen. Zou het leren? Ziet, het is met goud en zilver overtrokken, en er is gans geen geest in het midden van hetzelve.

  • 3De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.

  • 68%

    9HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht.

  • 16De heidenen zullen het zien, en beschaamd zijn, vanwege al hun macht; zij zullen de hand op den mond leggen; hun oren zullen doof worden.

  • 16Doch uw ogen zijn zalig, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen.

  • 4Alsdan zullen zij roepen tot den HEERE, doch Hij zal hen niet verhoren; maar zal Zijn aangezicht te dier tijd voor hen verbergen, gelijk als zij hun handelingen kwaad gemaakt hebben.

  • 28En aldaar zult gij goden dienen, die des mensen handenwerk zijn, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch eten, noch rieken.

  • 28Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.

  • 13En die mijn ziel zoeken, leggen mij strikken; en die mijn kwaad zoeken, spreken verdervingen, en zij overdenken den gansen dag listen.

  • Rom 3:17-18
    2 verzen
    68%

    17En den weg des vredes hebben zij niet gekend.

    18Er is geen vreze Gods voor hun ogen.

  • 11In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.

  • 8In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden.