Psalmen 115:5
Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;
Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
15De afgoden der heidenen zijn zilver en goud, een werk van mensenhanden.
16Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;
17Oren hebben zij, maar horen niet; ook is er geen adem in hun mond.
18Dat die ze maken, hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.
6Oren hebben zij, maar horen niet; zij hebben een neus, maar zij rieken niet;
7Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel.
8Dat die hen maken hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.
4Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van des mensen handen;
18Zij weten niet, en verstaan niet, want het heeft hun ogen bestreken, dat zij niet zien, en hun harten, dat zij niet verstaan.
21Hoort nu dit, gij dwaas en harteloos volk! die ogen hebben, maar zien niet, die oren hebben, maar horen niet.
5Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen.
9De formeerders van gesneden beelden zijn al te zamen ijdelheid, en hun gewenste dingen doen geen nut; ja, zij zelven zijn hun getuigen; zij zien niet, en zij weten niet, daarom zullen zij beschaamd worden.
10Wie formeert een god, en giet een beeld, dat geen nut doet?
18Hoort, gij doven! en schouwt aan, gij blinden! om te zien.
4Maar de HEERE heeft ulieden niet gegeven een hart om te verstaan, noch ogen om te zien, noch oren om te horen, tot op dezen dag.
7Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.
20Gij ziet wel veel dingen, maar gij bewaart ze niet; of schoon hij de oren opendoet, zo hoort hij toch niet.
13Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en horende niet horen, noch ook verstaan.
14En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken.
8(Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op den huidigen dag.
18Ogen hebbende, ziet gij niet? En oren hebbende, hoort gij niet?
15Ijdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.
7Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.
17De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.
10Hun wachters zijn allen blind, zij weten niet; zij allen zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen; zij zijn slaperig, zij liggen neder, zij hebben het sluimeren lief.
5Zij weten niet, en verstaan niet; zij wandelen steeds in duisternis; dies wankelen alle fondamenten der aarde.
3En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.
7En zeggen: De HEERE ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.
5Alsdan zullen der blinden ogen opengedaan worden, en der doven oren zullen geopend worden.
4Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet?
17Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft; een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen, en er is geen geest in hen.
18Ijdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.
15Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer; zij hebben de woorden van zich verzet.
8Ook is hun land vervuld met afgoden; voor het werk hunner handen buigen zij zich neder, voor hetgeen hun vingeren gemaakt hebben.
19Wee dien, die tot het hout zegt: Word wakker! en: Ontwaak! tot den zwijgenden steen. Zou het leren? Ziet, het is met goud en zilver overtrokken, en er is gans geen geest in het midden van hetzelve.
3De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.
9HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht.
16De heidenen zullen het zien, en beschaamd zijn, vanwege al hun macht; zij zullen de hand op den mond leggen; hun oren zullen doof worden.
16Doch uw ogen zijn zalig, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen.
4Alsdan zullen zij roepen tot den HEERE, doch Hij zal hen niet verhoren; maar zal Zijn aangezicht te dier tijd voor hen verbergen, gelijk als zij hun handelingen kwaad gemaakt hebben.
28En aldaar zult gij goden dienen, die des mensen handenwerk zijn, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch eten, noch rieken.
28Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.
13En die mijn ziel zoeken, leggen mij strikken; en die mijn kwaad zoeken, spreken verdervingen, en zij overdenken den gansen dag listen.
17En den weg des vredes hebben zij niet gekend.
18Er is geen vreze Gods voor hun ogen.
11In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.
8In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden.