Psalmen 82:5

Statenvertaling (States Bible)

Zij weten niet, en verstaan niet; zij wandelen steeds in duisternis; dies wankelen alle fondamenten der aarde.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 11:3 : 3 Zekerlijk, de fondamenten worden omgestoten; wat heeft de rechtvaardige bedreven?
  • Micha 3:1 : 1 Voorts zeide ik: Hoort nu, gij hoofden Jakobs, en gij oversten van het huis Israels! Betaamt het ulieden niet het recht te weten?
  • Spr 2:13 : 13 Van degenen, die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis;
  • Ps 14:4 : 4 Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen den HEERE niet aan.
  • Ps 75:3 : 3 Als ik het bestemde ambt zal ontvangen hebben, zo zal ik gans recht richten.
  • Spr 1:29 : 29 Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des HEEREN niet hebben verkoren.
  • Spr 4:19 : 19 De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.
  • Pred 2:14 : 14 De ogen des wijzen zijn in zijn hoofd, maar de zot wandelt in de duisternis. Toen bemerkte ik ook, dat enerlei geval hun allen bejegent.
  • Pred 3:16 : 16 Verder heb ik ook gezien onder de zon, ter plaatse des gerichts, aldaar was goddeloosheid; en ter plaatse der gerechtigheid, aldaar was goddeloosheid.
  • Jes 5:7 : 7 Want de wijngaard van den HEERE der heirscharen is het huis van Israel, en de mannen van Juda zijn een plant Zijner verlustigingen; en Hij heeft gewacht naar recht, maar ziet, het is schurftheid, naar gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw.
  • Jes 59:9 : 9 Daarom is het recht verre van ons, en de gerechtigheid achterhaalt ons niet; wij wachten op het licht, maar ziet, er is duisternis, op een groten glans, maar wij wandelen in donkerheden.
  • Joh 3:19 : 19 En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos.
  • Joh 12:35 : 35 Jezus dan zeide tot hen: Nog een kleinen tijd is het Licht bij ulieden; wandelt, terwijl gij het Licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange. En die in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat.
  • Rom 1:28 : 28 En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen;
  • 2 Tim 2:19 : 19 Evenwel het vaste fondament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn; en: Een iegelijk, die den Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.
  • 1 Joh 2:11 : 11 Maar die zijn broeder haat, is in de duisternis, en wandelt in de duisternis, en weet niet, waar hij henengaat; want de duisternis heeft zijn ogen verblind.
  • Ps 53:4 : 4 Een ieder van hen is teruggekeerd, te zamen zijn zij stinkende geworden, er is niemand, die goed doet, ook niet een.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 19De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.

  • 18Zij weten niet, en verstaan niet, want het heeft hun ogen bestreken, dat zij niet zien, en hun harten, dat zij niet verstaan.

  • 4Doch ik zeide: Zekerlijk, deze zijn arm; zij handelen zottelijk, omdat zij den weg des HEEREN, het recht hun Gods niet weten.

  • Jer 4:22-23
    2 verzen
    75%

    22Zekerlijk, Mijn volk is dwaas, Mij kennen zij niet; het zijn zotte kinderen, en zij zijn niet verstandig; wijs zijn zij om kwaad te doen, maar goed te doen weten zij niet.

    23Ik zag het land aan, en ziet, het was woest en ledig; ook naar den hemel, en zijn licht was er niet.

  • 8Den weg des vredes kennen zij niet; en er is geen recht in hun gangen; hun paden maken zij verkeerd voor zich zelven, al wie daarop gaat, die kent den vrede niet.

  • 25Zij tasten in de duisternis, waar geen licht is; en Hij doet hen dwalen, als een dronkaard.

  • 13Zij zijn onder de wederstrevers des lichts; zij kennen Zijn wegen niet, en zij blijven niet op Zijn paden.

  • 21Weet gijlieden niet? Hoort gij niet? Is het u van den beginne aan niet bekend gemaakt! Hebt gij op de grondvesten der aarde niet gelet?

  • 17En den weg des vredes hebben zij niet gekend.

  • 14Des daags ontmoeten zij de duisternis, en gelijk des nachts tasten zij in de middag.

  • 5De kwade lieden verstaan het recht niet; maar die den HEERE zoeken, verstaan alles.

  • 4Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.

  • 28Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.

  • Job 9:5-6
    2 verzen
    72%

    5Die de bergen verzet, dat zij het niet gewaar worden, Die ze omkeert in Zijn toorn;

    6Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat haar pilaren schudden;

  • 12Maar zij weten de gedachten des HEEREN niet, en verstaan Zijn raadslag niet; dat Hij hen vergaderd heeft als garven tot den dorsvloer.

  • 5Omdat zij niet letten op de daden des HEEREN, noch op het werk Zijner handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen.

  • 6O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.

  • 4Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen den HEERE niet aan.

  • 3Zekerlijk, de fondamenten worden omgestoten; wat heeft de rechtvaardige bedreven?

  • 21Gewisselijk, zodanige zijn de woningen des verkeerden, en dit is de plaats desgenen die God niet kent.

  • 5Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.

  • Job 24:16-17
    2 verzen
    71%

    16In de duisternis doorgraaft hij de huizen, die zij zich des daags afgetekend hadden; zij kennen het licht niet.

    17Want de morgenstond is hun te zamen de schaduw des doods; als men hen kent, zijn zij in de strikken van des doods schaduw.

  • 18Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.

  • 7Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel.

  • 22Als hij de aarde aanschouwen zal, ziet, er zal benauwdheid en duisternis zijn; hij zal verduisterd zijn door angst, en voortgedreven door donkerheid. [ (Isaiah 8:23) Maar het land, dat beangstigd was, zal niet gans verduisterd worden; gelijk als Hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, alzo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan gelegen over de Jordaan, aan Galilea der heidenen. ]

  • 6Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden; en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten;

  • 9Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.

  • 10Want zij weten niet te doen, dat recht is, spreekt de HEERE; die in hun paleizen schatten vergaderen door geweld en verstoring.

  • 15Wee dengenen, die zich diep versteken willen voor den HEERE, hun raad verbergende; en welker werken in duisterheid geschieden, en zij zeggen: Wie ziet ons, en wie kent ons?

  • 7En zeggen: De HEERE ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.

  • 11Gij hebt Rahab verbrijzeld als een verslagene; Gij hebt Uw vijanden verstrooid met den arm Uwer sterkte.

  • 12Den nacht verstellen zij in den dag; het licht is nabij den ondergang vanwege de duisternis.

  • 21Hoort nu dit, gij dwaas en harteloos volk! die ogen hebben, maar zien niet, die oren hebben, maar horen niet.

  • 1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Machalath.

  • 27Zij dansen en waggelen als een dronken man, en al hun wijsheid wordt verslonden.

  • 28Zij zijn vet, zij zijn glad, zelfs de daden der bozen gaan zij te boven; de rechtzaak richten zij niet, zelfs de rechtzaak des wezen, nochtans zijn zij voorspoedig; ook oordelen zij het recht der nooddruftigen niet.

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.

  • 4Want hun hart hebt Gij van kloek verstand verborgen; daarom zult Gij hen niet verhogen.

  • 20Van den morgen tot den avond worden zij vermorzeld; zonder dat men er acht op slaat, vergaan zij in eeuwigheid.

  • 25Daarom dat Hij hun werken kent, zo keert Hij hen des nachts om, en zij worden verbrijzeld.

  • 4Een ieder van hen is teruggekeerd, te zamen zijn zij stinkende geworden, er is niemand, die goed doet, ook niet een.

  • 30En zij zullen tegen hetzelve te dien dage bruisen, als het bruisen der zee. Dan zal men de aarde aanzien, maar ziet, er zal duisternis en benauwdheid zijn, en het licht zal verduisterd worden in hun verwoestingen.

  • 8Zij waren kinderen der dwazen, en kinderen van geen naam; zij waren geslagen uit den lande.

  • 11Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?

  • 8De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.

  • 5Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;

  • 11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.