Job 8:2
Hoe lang zult gij deze dingen spreken, en de redenen uws monds een geweldige wind zijn?
Hoe lang zult gij deze dingen spreken, en de redenen uws monds een geweldige wind zijn?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
2Hoe lang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken.
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
25O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is?
26Zult gij, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen des mismoedigen voor wind zijn?
12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
2Zou de veelheid der woorden niet beantwoord worden, en zou een klapachtig man recht hebben?
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
2Zal een wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn buik vullen met oostenwind?
8Met mate hebt Gij met hem getwist, wanneer Gij hem wegstiet; als Hij hem wegnam door Zijn harden wind, in den dag des oostenwinds.
3Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?
1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
3Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.
2Zo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nochtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden?
4Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.
24Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?
17Hoe uw klederen warm worden, als Hij de aarde stil maakt uit het zuiden?
6Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!
38Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?
20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.
21En nu ziet men het licht niet als het helder is in den hemel, als de wind doorgaat, en dien zuivert;
25Zult Gij een gedreven blad verbrijzelen, en zult Gij een drogen stoppel vervolgen?
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
18Dat zij gelijk stro worden voor den wind, en gelijk kaf, dat de wervelwind wegsteelt;
4Uitgieten? hard spreken? alle werkers der ongerechtigheid zich beroemen?
19Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?
2Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat!
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
7Ik zeide: Laat de dagen spreken, en de veelheid der jaren wijsheid te kennen geven.
22Gij heft mij op in den wind; Gij doet mij daarop rijden, en Gij versmelt mij het wezen.
10Hoe lang, o God! zal de wederpartijder smaden? Zal de vijand Uw Naam in eeuwigheid lasteren?
34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?
3Want het zou nu zwaarder zijn dan het zand der zeeen; daarom worden mijn woorden opgezwolgen.
8Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn. Sela.
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
11En zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.
46Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort; Gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela.
5Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans?
12Er zal Mij een wind komen, die hun te sterk zal zijn. Nu zal Ik ook oordelen tegen hen uitspreken.
21De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij henengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats.
4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
2Houdt gij dat voor recht, dat gij gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan Gods?
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.