Psalmen 55:8

Statenvertaling (States Bible)

Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn. Sela.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Jes 4:6 : 6 En daar zal een hut zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een verberging tegen den vloed en tegen den regen.
  • Jes 17:12-13 : 12 Wee der veelheid der grote volken, die daar bruisen, gelijk de zeeen bruisen; en wee het geruis der natien, die daar ruisen, gelijk de geweldige wateren ruisen! 13 De natien zullen wel ruisen, gelijk grote wateren ruisen; doch Hij zal hem schelden, zo zal hij verre wegvlieden, ja, hij zal gejaagd worden, als het kaf der bergen van den wind, en gelijk een kloot van den wervelwind.
  • Matt 7:25-27 : 25 En er is slagregen nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond. 26 En een iegelijk, die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft; 27 En de slagregen is nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot.
  • Ps 18:4 : 4 Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 55:3-7
    5 verzen
    82%

    3Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier;

    4Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.

    5Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen.

    6Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij;

    7Zodat ik zeg: Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht.

  • 15Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam de bergen aansteekt;

  • Job 30:14-15
    2 verzen
    74%

    14Zij komen aan, als door een wijde breuk; onder de verwoesting rollen zij zich aan.

    15Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elk een vervolgt als een wind mijn edele ziel, en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan.

  • 9Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van den drijvenden wind, van den storm.

  • Job 27:21-22
    2 verzen
    74%

    21De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij henengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats.

    22En God zal dit over hem werpen, en niet sparen; van Zijn hand zal hij snellijk vlieden.

  • 8Vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die Zijn woord doet!

  • 22Gij heft mij op in den wind; Gij doet mij daarop rijden, en Gij versmelt mij het wezen.

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. Ik betrouw op den HEERE; hoe zegt gijlieden tot mijn ziel: Zwerft henen naar ulieder gebergte, als een vogel?

  • 22Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.

  • 9Red mij, HEERE! van mijn vijanden; bij U schuil ik.

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, om te doen gedenken.

  • 27Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt;

  • 6En daar zal een hut zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een verberging tegen den vloed en tegen den regen.

  • 8Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten;

  • 1De last der woestijn aan de zee. Gelijk de wervelwinden in het zuiden henen doorgaan, zal hij uit de woestijn komen, uit een vreselijk land.

  • 1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; als hij voor Sauls aangezicht vlood in de spelonk.

  • 7Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.

  • 1O HEERE! waarom staat Gij van verre? waarom verbergt Gij U in tijden van benauwdheid?

  • 13Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.

  • 7Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?

  • 5Want Hij versteekt mij in Zijn hut, ten dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen.

  • 5Want baren des doods hadden mij omvangen; beken Belials verschrikten mij.

  • 12Er zal Mij een wind komen, die hun te sterk zal zijn. Nu zal Ik ook oordelen tegen hen uitspreken.

  • 9Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee;

  • 4Want Gij zijt den arme een Sterkte geweest, een Sterkte den nooddruftige, als hem bange was; een Toevlucht tegen den vloed, een Schaduw tegen de hitte; want het blazen der tirannen is als een vloed tegen een wand.

  • 19En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.

  • 1Een psalm van David. HEERE! ik roep U aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep.

  • 19Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweder, het zal blijven op der goddelozen hoofd.

  • 2En die man zal zijn als een verberging tegen den wind, en een schuilplaats tegen den vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land.

  • 4En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.

  • 13Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!

  • 10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.

  • 17Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak.

  • 18Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.

  • 9Laat hem henengaan, als een smeltende slak; laat hen, als ener vrouwe misdracht, de zon niet aanschouwen.

  • 9Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.

  • 16Ik heb toch niet aangedrongen, meer dan een herder achter U betaamde; ook heb ik den dodelijken dag niet begeerd, Gij weet het; wat uit mijn lippen is gegaan, is voor Uw aangezicht geweest.

  • 12Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.

  • 16Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen.

  • 22Verlaat mij niet, o HEERE, mijn God! wees niet verre van mij. [ (Psalms 38:23) Haast U tot mijn hulp, HEERE, mijn Heil! ]

  • 25Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft.

  • 8Met mate hebt Gij met hem getwist, wanneer Gij hem wegstiet; als Hij hem wegnam door Zijn harden wind, in den dag des oostenwinds.

  • 4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.

  • 3Van het einde des lands roep ik tot U als mijn hart overstelpt is; leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn.