Spreuken 1:21

Statenvertaling (States Bible)

Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 9:3 : 3 Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad:
  • Matt 10:27 : 27 Hetgeen Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht; en hetgeen gij hoort in het oor, predikt dat op de daken.
  • Matt 13:2 : 2 En tot Hem vergaderden vele scharen, zodat Hij in een schip ging en nederzat, en al de schare stond op den oever.
  • Joh 18:20 : 20 Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; Ik heb allen tijd geleerd in de synagoge en in den tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen; en in het verborgen heb Ik niets gesproken.
  • Hand 5:20 : 20 Gaat heen, en staat, en spreekt in den tempel tot het volk al de woorden dezes levens.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 20De opperste Wijsheid roept overluid daar buiten; Zij verheft haar stem op de straten.

  • Spr 8:1-4
    4 verzen
    88%

    1Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?

    2Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;

    3Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren roept Zij overluid:

    4Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen.

  • Spr 9:1-4
    4 verzen
    82%

    1De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft Haar zeven pilaren gehouwen.

    2Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel toegericht.

    3Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad:

    4Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:

  • Spr 9:13-16
    4 verzen
    81%

    13Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid zelve, en weet niet met al.

    14En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;

    15Om te roepen degenen, die op den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende:

    16Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:

  • Spr 7:11-13
    3 verzen
    79%

    11Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;

    12Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;

    13En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem:

  • 22Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?

  • 7Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.

  • 12Ik, Wijsheid, woon bij de kloekzinnigheid, en vinde de kennis van alle bedachtzaamheid.

  • Ps 55:10-11
    2 verzen
    72%

    10Verslind hen, HEERE! deel hun tong; want ik zie wrevel en twist in de stad.

    11Dag en nacht omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar.

  • 31Thau. Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.

  • 8Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.

  • 34Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren.

  • 12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?

  • 26Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.

  • Spr 3:17-18
    2 verzen
    71%

    17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.

    18Zij is een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig.

  • 25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.

  • 7Gelijk een bornput zijn water opgeeft, alzo geeft zij haar boosheid op; geweld en verstoring wordt in haar gehoord, weedom en plaging is steeds voor Mijn aangezicht.

  • 3Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid;

  • 7Toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijn stoel op de straat liet bereiden.

  • 26En haar poorten zullen treuren, en leed dragen, en zij zal, ledig gemaakt zijnde, op de aarde zitten.

  • Spr 4:7-8
    2 verzen
    70%

    7De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting.

    8Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar omhelzen zult.

  • Spr 7:21-22
    2 verzen
    70%

    21Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen.

    22Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.

  • 20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?

  • 1Aleph. Hoe zit die stad zo eenzaam, die vol volks was, zij is als een weduwe geworden, zij, die groot was onder de heidenen, een vorstin onder de landschappen, is cijnsbaar geworden.

  • 16Toen riep een wijze vrouw uit de stad: Hoort, hoort, zegt toch tot Joab: Nader tot hiertoe, dat ik tot u spreke.

  • 14Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar inkomst dan het uitgegraven goud.

  • 16Toen zeide ik: Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid des armen veracht, en zijn woorden niet waren gehoord geweest.

  • 19De wijsheid versterkt den wijze meer dan tien heerschappers, die in een stad zijn.

  • Spr 7:5-6
    2 verzen
    69%

    5Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.

    6Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;

  • 22De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.

  • 2Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen des verstands;

  • 8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;

  • 1Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.

  • 25Ik keerde mij om, en mijn hart, om te weten, en om na te sporen, en te zoeken wijsheid en een sluitrede; en om te weten de goddeloosheid der zotheid, en de dwaasheid der onzinnigheden.