Spreuken 9:14

Statenvertaling (States Bible)

En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 9:3 : 3 Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad:
  • Spr 7:10-12 : 10 En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede; 11 Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet; 12 Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 13Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid zelve, en weet niet met al.

  • Spr 9:1-4
    4 verzen
    83%

    1De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft Haar zeven pilaren gehouwen.

    2Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel toegericht.

    3Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad:

    4Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:

  • Spr 8:1-3
    3 verzen
    82%

    1Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?

    2Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;

    3Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren roept Zij overluid:

  • Spr 9:15-16
    2 verzen
    82%

    15Om te roepen degenen, die op den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende:

    16Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:

  • Spr 1:20-21
    2 verzen
    81%

    20De opperste Wijsheid roept overluid daar buiten; Zij verheft haar stem op de straten.

    21Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;

  • Spr 7:10-13
    4 verzen
    81%

    10En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede;

    11Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;

    12Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;

    13En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem:

  • 1Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.

  • 9Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.

  • 8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;

  • 8Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.

  • Spr 7:5-6
    2 verzen
    73%

    5Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.

    6Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;

  • 31Thau. Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.

  • Spr 31:22-23
    2 verzen
    73%

    22Mem. Zij maakt voor zich tapijtsieraad; haar kleding is fijn linnen en purper.

    23Nun. Haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten des lands.

  • 24Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.

  • 27Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.

  • 18Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.

  • Spr 7:25-27
    3 verzen
    72%

    25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.

    26Want zij heeft veel gewonden nedergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele.

    27Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.

  • 7Toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijn stoel op de straat liet bereiden.

  • 34Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren.

  • 28In het volle geklank der bazuin, zegt het: Heah! en ruikt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich.

  • 17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.

  • Spr 4:8-9
    2 verzen
    71%

    8Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar omhelzen zult.

    9Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren.

  • 14Huis en goed is een erve van de vaderen; maar een verstandige vrouw is van den HEERE.

  • 6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.

  • Spr 23:27-28
    2 verzen
    70%

    27Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put.

    28Ook loert zij als een rover; en zij vermenigvuldigt de trouwelozen onder de mensen.

  • 26En haar poorten zullen treuren, en leed dragen, en zij zal, ledig gemaakt zijnde, op de aarde zitten.

  • 14De mond der vreemde vrouwen is een diepe gracht; op welken de HEERE vergramd is, zal daarin vallen.

  • 7Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.

  • 31Als gij uw verwelfsel bouwt aan het hoofd van iederen weg, en uw hoge plaats maakt in elke straat, en niet zijt geweest als een hoer, het hoerenloon beschimpende.

  • 19Jod. Zij steekt haar handen uit naar de spil, en haar handpalmen vatten den spinrok.

  • 22Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.

  • 18En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen?

  • 14He. Zij is als de schepen eens koopmans; zij doet haar brood van verre komen.

  • 22Een schone vrouw, die van rede afwijkt, is een gouden bagge in een varkenssnuit.