Spreuken 31:19

Statenvertaling (States Bible)

Jod. Zij steekt haar handen uit naar de spil, en haar handpalmen vatten den spinrok.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ex 35:25-26 : 25 En alle vrouwen, die wijs van hart waren, sponnen met haar handen, en zij brachten het gesponnene, de hemelsblauwe zijde, en het purper, het scharlaken, en het fijn linnen. 26 En alle vrouwen, welker hart haar bewoog in wijsheid, die sponnen het geiten haar.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Spr 31:20-31
    12 verzen
    86%

    20Caph. Zij breidt haar handpalm uit tot den ellendige; en zij steekt haar handen uit tot den nooddruftige.

    21Lamed. Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw; want haar ganse huis is met dubbele klederen gekleed.

    22Mem. Zij maakt voor zich tapijtsieraad; haar kleding is fijn linnen en purper.

    23Nun. Haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten des lands.

    24Samech. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het; en zij levert den koopman gordelen.

    25Ain. Sterkte en heerlijkheid zijn haar kleding; en zij lacht over den nakomenden dag.

    26Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.

    27Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.

    28Koph. Haar kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; ook haar man, en hij prijst haar, zeggende:

    29Resch. Vele dochteren hebben deugdelijke gehandeld; maar gij gaat die allen te boven.

    30Schin. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar een vrouw, die den HEERE vreest, die zal geprezen worden.

    31Thau. Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.

  • Spr 31:10-18
    9 verzen
    85%

    10Aleph. Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is verre boven de robijnen.

    11Beth. Het hart haars heren vertrouwt op haar, zodat hem geen goed zal ontbreken.

    12Gimel. Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen haars levens.

    13Daleth. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust harer handen.

    14He. Zij is als de schepen eens koopmans; zij doet haar brood van verre komen.

    15Vau. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis spijze, en haar dienstmaagden het bescheiden deel.

    16Zain. Zij denkt om een akker, en krijgt hem; van de vrucht harer handen plant zij een wijngaard.

    17Cheth. Zij gordt haar lenden met kracht, en zij versterkt haar armen.

    18Teth. Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat des nachts niet uit.

  • Ex 35:25-26
    2 verzen
    72%

    25En alle vrouwen, die wijs van hart waren, sponnen met haar handen, en zij brachten het gesponnene, de hemelsblauwe zijde, en het purper, het scharlaken, en het fijn linnen.

    26En alle vrouwen, welker hart haar bewoog in wijsheid, die sponnen het geiten haar.

  • Spr 3:15-18
    4 verzen
    72%

    15Zij is kostelijker dan robijnen en al; wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken.

    16Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer.

    17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.

    18Zij is een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig.

  • 26Haar hand sloeg zij aan den nagel, en haar rechterhand aan den hamer der arbeidslieden; en zij klopte Sisera; zij streek zijn hoofd af, als zij zijn slaap had doornageld en doorgedrongen.

  • 1Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.

  • 28De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen.

  • 14En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;

  • 10Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen!

  • 8Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst.

  • 7Waarmede de maaier zijn hand niet vult, noch de garvenbinder zijn arm;

  • 9Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren.

  • 68%

    11Wanneer mannen, de een met den ander, twisten, en de vrouw des enen toetreedt, om haar man uit de hand desgenen, die hem slaat, te redden, en haar hand uitstrekt, en zijn schamelheid aangrijpt;

    12Zo zult gij haar hand afhouwen, uw oog zal niet verschonen.

  • Job 31:19-20
    2 verzen
    68%

    19Zo ik iemand heb zien omkomen, omdat hij zonder kleding was, en dat de nooddruftige geen deksel had;

    20Zo zijn lenden mij niet gezegend hebben, toen hij van de vellen mijner lammeren verwarmd werd;

  • 23Om een hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt; en een dienstmaagd, als zij erfgenaam is van haar vrouw.

  • Spr 7:11-12
    2 verzen
    67%

    11Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;

    12Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;

  • 26En ik vond een bitterder ding, dan de dood: een vrouw, welker hart netten en garen, en haar handen banden zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden.

  • 16Elkeen, die haar verbergt, zou den wind verbergen, en de olie zijner rechterhand, die roept.

  • Spr 9:2-3
    2 verzen
    67%

    2Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel toegericht.

    3Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad:

  • 16Zijn an u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels?

  • 4Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.

  • 2Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;

  • 29Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugelen uit naar het zuiden?