Lukas 14:6

Statenvertaling (States Bible)

En zij konden Hem daarop niet weder antwoorden.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Luk 20:40 : 40 En zij durfden Hem niet meer iets vragen.
  • Luk 21:15 : 15 Want Ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken, noch wederstaan allen, die zich tegen u zetten.
  • Hand 6:10 : 10 En zij konden niet wederstaan de wijsheid en den Geest, door Welken hij sprak.
  • Matt 22:46 : 46 En niemand kon Hem een woord antwoorden; noch iemand durfde Hem van dien dag aan iets meer vragen.
  • Luk 13:17 : 17 En als Hij dit zeide, werden zij allen beschaamd, die zich tegen Hem stelden; en al de schare verblijdde zich over al de heerlijke dingen, die van Hem geschiedden.
  • Luk 20:26 : 26 En zij konden Hem in Zijn woord niet vatten voor het volk; en zich verwonderende over Zijn antwoord, zwegen zij stil.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 26En zij konden Hem in Zijn woord niet vatten voor het volk; en zich verwonderende over Zijn antwoord, zwegen zij stil.

  • 46En niemand kon Hem een woord antwoorden; noch iemand durfde Hem van dien dag aan iets meer vragen.

  • 7En zij antwoordden, dat zij niet wisten, vanwaar die was.

  • Luk 14:3-5
    3 verzen
    76%

    3En Jezus, antwoordende, zeide tot de wetgeleerden en Farizeen, en sprak: Is het ook geoorloofd op den sabbat gezond te maken?

    4Maar zij zwegen stil. En Hij nam hem, en genas hem, en liet hem gaan.

    5En Hij, hun antwoordende, zeide: Wiens ezel of os van ulieden zal in een put vallen, en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag des sabbats?

  • 27En zij, Jezus antwoordende, zeiden: Wij weten het niet. En Hij zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik dit doe.

  • 33En, antwoordende, zeiden zij tot Jezus: Wij weten het niet. En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe.

  • 6Deze gelijkenis zeide Jezus tot hen; maar zij verstonden niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak.

  • 40En zij durfden Hem niet meer iets vragen.

  • 7En Hij zeide tot de genoden een gelijkenis, aanmerkende, hoe zij de vooraanzittingen verkozen; zeggende tot hen:

  • 15Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer; zij hebben de woorden van zich verzet.

  • Marc 15:3-5
    3 verzen
    71%

    3En de overpriesters beschuldigden Hem van vele zaken; maar Hij antwoordde niets.

    4En Pilatus vraagde Hem wederom, zeggende: Antwoordt Gij niet? Zie, hoe vele zaken zij tegen U getuigen!

    5En Jezus heeft niet meer geantwoord, zodat Pilatus zich verwonderde.

  • 32Maar zij verstonden dat woord niet, en zij vreesden Hem te vragen.

  • 3En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, en zegt Mij:

  • 14En ziende den mens bij hen staan, die genezen was, hadden zij niets daartegen te zeggen.

  • 70%

    60En de hogepriester, in het midden opstaande, vraagde Jezus, zeggende: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?

    61Maar Hij zweeg stil, en antwoordde niets. Wederom vraagde Hem de hogepriester, en zeide tot Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon des gezegenden Gods?

  • 6Want hij wist niet, wat hij zeide; want zij waren zeer bevreesd.

  • 68En indien Ik ook vraag, gij zult Mij niet antwoorden, of loslaten;

  • 21En Hij zeide tot hen: Hoe verstaat gij niet?

  • 40En wedergekeerd zijnde, vond Hij hen wederom slapende, want hun ogen waren bezwaard; en zij wisten niet, wat zij Hem antwoorden zouden.

  • 14Maar Hij antwoordde hem niet op een enig woord, alzo dat de stadhouder zich zeer verwonderde.

  • 39En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Kan ook wel een blinde een blinde op den weg leiden? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen?

  • 4En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil.

  • 10En zij konden niet wederstaan de wijsheid en den Geest, door Welken hij sprak.

  • 34En zij verstonden geen van deze dingen; en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden niet, hetgeen gezegd werd.

  • 29Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen; antwoordt Mij ook, en zo zal Ik u zeggen, door wat macht Ik deze dingen doe:

  • 21Doch zij zwegen stil, en antwoordden hem niet een woord; want het gebod des konings was, zeggende: Gij zult hem niet antwoorden.

  • 48En zij vonden niet, wat zij doen zouden; want al het volk hing Hem aan, en hoorde Hem.

  • 1En Jezus, antwoordende, sprak tot hen wederom door gelijkenissen, zeggende:

  • 45Maar zij verstonden dit woord niet, en het was voor hen verborgen, alzo dat zij het niet begrepen; en zij vreesden van dat woord Hem te vragen.

  • 50En zij verstonden het woord niet, dat Hij tot hen sprak.

  • 31En zij overlegden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den hemel, zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?

  • 69%

    15En Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Verklaar ons deze gelijkenis.

    16Maar Jezus zeide: Zijt ook gijlieden alsnog onwetende?

  • 9En hij vraagde Hem met vele woorden; doch Hij antwoordde hem niets.

  • 62En de hogepriester, opstaande, zeide tot Hem: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?

  • 2En sommigen der Farizeen zeiden tot hen: Waarom doet gij, wat niet geoorloofd is te doen op de sabbatten?

  • 24En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, hetwelk indien gij Mij zult zeggen, zo zal Ik u ook zeggen, door wat macht Ik deze dingen doe.

  • 12En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de schare; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg.

  • 12En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.

  • 5En zij overleiden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den Hemel; zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij dan hem niet geloofd?

  • 18Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Een kleinen tijd? Wij weten niet, wat Hij zegt.

  • 39Daarom konden zij niet geloven, dewijl Jesaja wederom gezegd heeft:

  • 13En Hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis niet, en hoe zult gij al de gelijkenissen verstaan?

  • 22En zij, dit horende, verwonderden zich, en Hem verlatende, zijn zij weggegaan.

  • 20Deze woorden sprak Jezus bij de schatkist, lerende in den tempel; en niemand greep Hem; want Zijn ure was nog niet gekomen.