Lukas 20:40

Statenvertaling (States Bible)

En zij durfden Hem niet meer iets vragen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Matt 22:46 : 46 En niemand kon Hem een woord antwoorden; noch iemand durfde Hem van dien dag aan iets meer vragen.
  • Marc 12:34 : 34 En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen.
  • Spr 26:5 : 5 Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 84%

    45Indien Hem dan David noemt zijn Heere, hoe is Hij zijn Zoon?

    46En niemand kon Hem een woord antwoorden; noch iemand durfde Hem van dien dag aan iets meer vragen.

  • 26En zij konden Hem in Zijn woord niet vatten voor het volk; en zich verwonderende over Zijn antwoord, zwegen zij stil.

  • 34En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen.

  • 32Maar zij verstonden dat woord niet, en zij vreesden Hem te vragen.

  • 41En Hij zeide tot hen: Hoe zeggen zij, dat de Christus Davids Zoon is?

  • Luk 20:7-8
    2 verzen
    74%

    7En zij antwoordden, dat zij niet wisten, vanwaar die was.

    8En Jezus zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe.

  • 6En zij konden Hem daarop niet weder antwoorden.

  • 39En sommigen der Schriftgeleerden, antwoordende, zeiden: Meester! Gij hebt wel gezegd.

  • Luk 20:2-3
    2 verzen
    72%

    2En spraken tot Hem zeggende: Zeg ons, door wat macht Gij deze dingen doet; of wie Hij is, Die U deze macht heeft gegeven?

    3En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, en zegt Mij:

  • Luk 20:19-22
    4 verzen
    72%

    19En de overpriesteren en de Schriftgeleerden zochten te dierzelver ure de handen aan Hem te slaan; maar zij vreesden het volk; want zij verstonden, dat Hij deze gelijkenis tegen hen gesproken had.

    20En zij namen Hem waar, en zonden verspieders uit, die zichzelven veinsden rechtvaardig te zijn; opdat zij Hem in Zijn rede vangen mochten, om Hem aan de heerschappij en de macht des stadhouders over te leveren.

    21En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wij weten, dat Gij recht spreekt en leert, en den persoon niet aanneemt, maar den weg Gods leert in der waarheid.

    22Is het ons geoorloofd den keizer schatting te geven, of niet?

  • 41Als nu de Farizeen samenvergaderd waren, vraagde hun Jezus,

  • 27En zij, Jezus antwoordende, zeiden: Wij weten het niet. En Hij zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik dit doe.

  • 46En zoekende Hem te vangen, vreesden zij de scharen, dewijl deze Hem hielden voor een profeet.

  • 45Maar zij verstonden dit woord niet, en het was voor hen verborgen, alzo dat zij het niet begrepen; en zij vreesden van dat woord Hem te vragen.

  • 71%

    60En de hogepriester, in het midden opstaande, vraagde Jezus, zeggende: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?

    61Maar Hij zweeg stil, en antwoordde niets. Wederom vraagde Hem de hogepriester, en zeide tot Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon des gezegenden Gods?

  • 12En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de schare; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg.

  • 33En, antwoordende, zeiden zij tot Jezus: Wij weten het niet. En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe.

  • 16En Hij vraagde den Schriftgeleerden: Wat twist gij met dezen?

  • 19De hogepriester dan vraagde Jezus van Zijn discipelen, en van Zijn leer.

  • 22En zij, dit horende, verwonderden zich, en Hem verlatende, zijn zij weggegaan.

  • 21Wat ondervraagt gij Mij? Ondervraag degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten, wat Ik gezegd heb.

  • 15Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer; zij hebben de woorden van zich verzet.

  • 9En hij vraagde Hem met vele woorden; doch Hij antwoordde hem niets.

  • 20Deze woorden sprak Jezus bij de schatkist, lerende in den tempel; en niemand greep Hem; want Zijn ure was nog niet gekomen.

  • 70%

    34En de Farizeen, gehoord hebbende, dat Hij de Sadduceen den mond gestopt had, zijn te zamen bijeenvergaderd.

    35En een uit hen, zijnde een Wetgeleerde, heeft gevraagd, Hem verzoekende, en zeggende:

  • 26En ziet, Hij spreekt vrijmoediglijk, en zij zeggen Hem niets. Zouden nu wel de oversten waarlijk weten, dat Deze waarlijk is de Christus?

  • 18En als zij hen geroepen hadden, zeiden zij hun aan, dat zij ganselijk niet zouden spreken, noch leren, in den Naam van Jezus.

  • 30En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij het niemand zouden zeggen van Hem.

  • 68En indien Ik ook vraag, gij zult Mij niet antwoorden, of loslaten;

  • Marc 15:3-5
    3 verzen
    69%

    3En de overpriesters beschuldigden Hem van vele zaken; maar Hij antwoordde niets.

    4En Pilatus vraagde Hem wederom, zeggende: Antwoordt Gij niet? Zie, hoe vele zaken zij tegen U getuigen!

    5En Jezus heeft niet meer geantwoord, zodat Pilatus zich verwonderde.

  • 45En daar al het volk het hoorde, zeide Hij tot Zijn discipelen:

  • 20Toen verbood Hij Zijn discipelen, dat zij iemand zeggen zouden, dat Hij was Jezus, de Christus.

  • 18En de Schriftgeleerden en de overpriesters hoorden dat, en zochten, hoe zij Hem doden zouden; want zij vreesden Hem, omdat de ganse schare ontzet was over Zijn leer.

  • 13Nochtans sprak niemand vrijmoediglijk van Hem, om de vrees der Joden.

  • 5En zij overleiden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den Hemel; zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij dan hem niet geloofd?

  • 28En zeiden tot Hem: Door wat macht doet Gij deze dingen? En wie heeft U deze macht gegeven, dat Gij deze dingen doen zoudt?

  • 6Want hij wist niet, wat hij zeide; want zij waren zeer bevreesd.

  • 40En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof?

  • 44En sommigen van hen wilden Hem grijpen; maar niemand sloeg de handen aan Hem.

  • 4Maar zij zwegen stil. En Hij nam hem, en genas hem, en liet hem gaan.