Psalmen 51:2
Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan.
Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
3Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
4Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde.
5Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij.
6Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten.
7Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.
8Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend.
9Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.
10Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt.
11Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden.
12Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest.
13Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij.
14Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.
15Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.
16Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen.
5Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela.
12Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is grote loon.
13Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen.
4De HEERE zal hem ondersteunen op het ziekbed; in zijn krankheid verandert Gij zijn ganse leger.
3Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen.
9Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde?
30Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep;
23Hoeveel misdaden en zonden heb ik? Maak mijn overtreding en mijn zonden mij bekend.
22Want, al wiest gij u met salpeter, en naamt u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt de Heere HEERE.
6Ik was mijn handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o HEERE!
13Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.
9Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben zuiver, en heb geen misdaad.
18Resch. Aanzie mijn ellende, en mijn moeite, en neem weg al mijn zonden.
8En Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid, met dewelke zij tegen Mij gezondigd hebben; en Ik zal vergeven al hun ongerechtigheden, met dewelke zij tegen Mij gezondigd en met dewelke zij tegen Mij overtreden hebben.
9Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.
18Want ik ben tot hinken gereed, en mijn smart is steeds voor mij.
6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?
23Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.
24En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg.
3Want gij hebt gezegd: Wat zou zij u baten? Wat meer voordeel zal ik daarmede doen, dan met mijn zonde?
1Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
11Lamed. Om Uws Naams wil, HEERE! zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.
8Toen zeide David tot God: Ik heb zeer gezondigd, dat ik deze zaak gedaan heb; maar neem toch nu de misdaad Uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gehandeld.
25Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.
11Maar ik wandel in mijn oprechtigheid, verlos mij dan en wees mij genadig.
7Cheth. Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil, o HEERE!
14Indien ik zondig, zo zult Gij mij waarnemen, en van mijn misdaad zult Gij mij niet onschuldig houden.
17Daar toch geen wrevel in mijn handen is, en mijn gebed zuiver is.
2Proef mij, HEERE, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
9Daarna wies Ik u met water, en Ik spoelde uw bloed van u af, en zalfde u met olie.
3Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan?
7Zo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;
25Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinigheid, voor Zijn ogen.
25Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet.