Psalmen 55:13

Statenvertaling (States Bible)

Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 2 Sam 15:12 : 12 Absalom zond ook om Achitofel, den Giloniet, Davids raad, uit zijn stad, uit Gilo te halen, als hij offeranden offerde. En de verbintenis werd sterk, en het volk kwam toe en vermeerderde bij Absalom.
  • Ps 41:9 : 9 Een Belialsstuk kleeft hem aan; en hij, die nederligt, zal niet weder opstaan.
  • Jer 9:4 : 4 Wacht u, een iegelijk van zijn vriend, en vertrouwt niet op enigen broeder; want elk broeder doet niet dan bedriegen, en elk vriend wandelt in achterklap.
  • Micha 7:5 : 5 Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt.
  • 2 Sam 16:23 : 23 En in die dagen was Achitofels raad, dien hij raadde, als of men naar Gods woord gevraagd had; alzo was alle raad van Achitofel, zo bij David als bij Absalom.
  • Matt 26:47-50 : 47 En als Hij nog sprak, ziet, Judas, een van de twaalven, kwam, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters en ouderlingen des volks. 48 En die Hem verried, had hun een teken gegeven, zeggende: Dien ik zal kussen, Dezelve is het, grijpt Hem. 49 En terstond komende tot Jezus, zeide hij: Wees gegroet, Rabbi! en hij kuste Hem. 50 Maar Jezus zeide tot hem: Vriend! waartoe zijt gij hier! Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.
  • Marc 14:44-45 : 44 En die Hem verried, had hun een gemeen teken gegeven, zeggende: Dien ik kussen zal, Die is het, grijpt Hem, en leidt Hem zekerlijk henen. 45 En als hij gekomen was, ging hij terstond tot Hem, en zeide: Rabbi, Rabbi, en kuste Hem.
  • Luk 22:21 : 21 Doch ziet, de hand desgenen, die Mij verraadt, is met Mij aan de tafel.
  • Luk 22:47-48 : 47 En als Hij nog sprak, ziet daar een schare; en een van de twaalven, die genaamd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus, om Hem te kussen. 48 En Jezus zeide tot hem: Judas, verraadt gij den Zoon des mensen met een kus?
  • Joh 19:13 : 13 Als Pilatus dan dit woord hoorde, bracht hij Jezus uit, en zat neder op den rechterstoel, in de plaats, genaamd Lithostrotos, en in het Hebreeuws Gabbatha.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 12Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.

  • 14Maar gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende!

  • Ps 41:9-11
    3 verzen
    73%

    9Een Belialsstuk kleeft hem aan; en hij, die nederligt, zal niet weder opstaan.

    10Zelfs de man mijns vredes, op welken ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.

    11Maar Gij, o HEERE! wees mij genadig, en richt mij op; en ik zal het hun vergelden.

  • 24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?

  • Job 19:13-14
    2 verzen
    72%

    13Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd.

    14Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij.

  • Ps 35:14-15
    2 verzen
    70%

    14Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest ware; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.

    15Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun klederen, en zwegen niet stil.

  • 18Den gansen dag omringen zij mij als water; te zamen omgeven zij mij. [ (Psalms 88:19) Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden zijn in duisternis. ]

  • 11Want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijn jaren van zuchten; mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd.

  • 3Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij.

  • 19Alle mensen mijns heimelijken raads hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd.

  • 21Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.

  • 3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.

  • 3Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.

  • 3Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.

  • 10Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen.

  • 26Want Gij schrijft tegen mij bittere dingen; en Gij doet mij erven de misdaden mijner jonkheid.

  • 3O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?

  • 3Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.

  • 6En zo iemand tot hem zegt: Wat zijn deze wonden in uw handen? zo zal hij zeggen: Het zijn de wonden, waarmede ik geslagen ben, in het huis mijner liefhebbers.

  • 8Uw grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren. Sela.

  • 19Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil.

  • 8Hij is nabij, Die Mij rechtvaardigt, wie zal met Mij twisten? Laat ons te zamen staan; wie heeft een rechtzaak tegen Mij? hij kome herwaarts tot Mij.

  • 13De HEERE zal richten tussen mij en tussen u, en de HEERE zal mij wreken aan u; maar mijn hand zal niet tegen u zijn.

  • Job 16:7-8
    2 verzen
    68%

    7Gewisselijk, Hij heeft mij nu vermoeid; Gij hebt mijn ganse vergadering verwoest.

    8Dat Gij mij rimpelachtig gemaakt hebt, is tot een getuige; en mijn magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht.

  • 10Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand.

  • 2Want Gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot Gij mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?

  • 68%

    4HEERE, mijn God, indien ik dat gedaan heb, indien er onrecht in mijn handen is;

  • Job 6:13-14
    2 verzen
    68%

    13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?

    14Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid geschieden; of hij zou de vreze des Almachtigen verlaten.

  • 17Ijzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten.

  • 11Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?

  • 21Och, mocht men rechten voor een man met God, gelijk een kind des mensen voor zijn vriend.

  • 27Ook werpt gij u op een wees; en gij graaft tegen uw vriend.

  • 11Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden.

  • 4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,

  • 32Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.

  • 6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?

  • 16Ik heb toch niet aangedrongen, meer dan een herder achter U betaamde; ook heb ik den dodelijken dag niet begeerd, Gij weet het; wat uit mijn lippen is gegaan, is voor Uw aangezicht geweest.

  • 13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.

  • 13Maar deze dingen hebt Gij verborgen in Uw hart; ik weet, dat dit bij U geweest is.

  • 20Alleenlijk doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen.

  • 4Zult gij niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader! Gij zijt de leidsman mijner jeugd!

  • 6Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht.

  • 9Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?

  • 3Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?