Prediker 10:7
Ik heb knechten te paard gezien, en vorsten, gaande als knechten op de aarde.
Ik heb knechten te paard gezien, en vorsten, gaande als knechten op de aarde.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
5Er is nog een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, als een dwaling, die van het aangezicht des oversten voortkomt.
6Een dwaas wordt gezet in grote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte.
10De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!
6Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;
7Want het is beter, dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, dien uw ogen gezien hebben.
40Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
9Beter is, die zich gering acht, en een knecht heeft, dan die zichzelven eert, en des broods gebrek heeft.
8Het voordeel des aardrijks is voor allen: de koning zelfs wordt van het veld gediend.
9Die het geld liefheeft, wordt van het geld niet zat; en wie den overvloed liefheeft, wordt van het inkomen niet zat. Dit is ook ijdelheid.
8Wie een kuil graaft, zal daarin vallen; en wie een muur doorbreekt, een slang zal hem bijten.
9Dit alles heb ik gezien, toen ik mijn hart begaf tot alle werk, dat onder de zon geschiedt: er is een tijd, dat de ene mens over den anderen mens heerst, hem ten kwade.
10Alzo heb ik ook gezien de goddelozen, die begraven waren, en degenen, die kwamen, en uit de plaats des Heiligen gingen, die werden vergeten in die stad, in dewelke zij recht gedaan hadden. Dit is ook ijdelheid.
14Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;
15Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.
22Om een knecht, als hij regeert; en een dwaas, als hij van brood verzadigd is;
16Wee u, land! welks koning een kind is, en welks vorsten tot in den morgenstond eten!
17Welgelukzalig zijt gij, land! welks koning een zoon der edelen is, en welks vorsten ter rechter tijd eten, tot sterkte en niet tot drinkerij.
7De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is des leners knecht.
10Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten.
3Ik heb gezien een dwaas wortelende; doch terstond vervloekte ik zijn woning.
10Ik heb gezien de bezigheid, die God den kinderen der mensen gegeven heeft, om zichzelven daarmede te bekommeren.
19Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.
11Gij koningen der aarde, en alle volken, gij vorsten, en alle rechters der aarde!
10En hij zal de koningen beschimpen, en de prinsen zullen hem een belaching zijn; hij zal alle vesting belachen; want hij zal stof vergaderen, en hij zal ze innemen.
34
10Gij, die op witte ezelinnen rijdt, gij, die aan het gerichte zit, en gij, die over weg wandelt, spreekt er van!
8Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks.
1Er is een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, en het is veel onder de mensen:
4En Ik zal jongelingen stellen tot hun vorsten, en kinderen zullen over hen heersen;
29Hebt gij een man gezien, die vaardig in zijn werk is? Hij zal voor het aangezicht der koningen gesteld worden; voor het aangezicht der ongeachte lieden zal hij niet gesteld worden.
6Die zeer laag ziet, in den hemel en op de aarde.
10En de rijke in zijn vernedering; want hij zal als een bloem van het gras voorbijgaan.
12Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten.
7Ik kreeg knechten en maagden, en ik had kinderen des huizes; ook had ik een groot bezit van runderen en schapen, meer dan allen, die voor mij te Jeruzalem geweest waren.
9Vertrouw op Hem te aller tijd, o gij volk! Stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons een Toevlucht. Sela.
7Toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijn stoel op de straat liet bereiden.
13Ook heb ik onder de zon deze wijsheid gezien, en zij was groot bij mij:
1Ziet, een koning zal regeren in gerechtigheid, en de vorsten zullen heersen naar recht.
8Knechten heersen over ons; er is niemand, die ons uit hun hand rukke.
8Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.
7Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.
21Als men zijn knecht van jongs op weeldig houdt, hij zal in zijn laatste een zoon willen zijn.
8Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige verhoogt Hij uit den drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen den stoel der ere doe beerven; want de grondvesten des aardrijks zijn des HEEREN, en Hij heeft de wereld daarop gezet.
21Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt den riem der geweldigen.
11In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.
23Die de vorsten te niet maakt; de richters der aarde maakt Hij tot ijdelheid.
7Er is een, die zichzelven rijk maakt, en niet met al heeft, en een, die zichzelven arm maakt, en heeft veel goed.
4Want indien gijlieden deze zaak ernstiglijk zult doen, zo zullen door de poorten van dit huis koningen ingaan, zittende den David op zijn troon, rijdende op wagens en op paarden, hij, en zijn knechten, en zijn volk.
12Zullen ook paarden rennen op een steenrots? Zal men ook daarop met runderen ploegen? Want gijlieden hebt het recht in gal verkeerd, en de vrucht der gerechtigheid in alsem.
3Zij verblijden den koning met hun boosheid, en de vorsten met hun leugenen.