Spreuken 6:7
Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende,
Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
4Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering.
5Red u, als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers.
6Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;
8Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst.
9Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?
10Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;
27De sprinkhanen hebben geen koning; nochtans gaan zij allen uit, zich verdelende in hopen.
28Een man, die zijn geest niet wederhouden kan, is een opengebrokene stad zonder muur.
14En waarom zoudt Gij de mensen maken, als de vissen der zee, als het kruipend gedierte, dat geen heerser heeft?
24De hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.
7En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;
8Knechten heersen over ons; er is niemand, die ons uit hun hand rukke.
7Waarmede de maaier zijn hand niet vult, noch de garvenbinder zijn arm;
25De mieren zijn een onsterk volk; evenwel bereiden zij in de zomer haar spijs.
7Al de arbeid des mensen is voor zijn mond; en nochtans wordt de begeerlijkheid niet vervuld.
8Want wat heeft de wijze meer dan de zot? Wat heeft de arme meer, die voor de levenden weet te wandelen?
15Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.
30Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens;
5Er is nog een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, als een dwaling, die van het aangezicht des oversten voortkomt.
11Want wij horen, dat sommigen onder u ongeregeld wandelen, niet werkende, maar ijdele dingen doende.
1Er is een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, en het is veel onder de mensen:
30Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen den HEERE.
18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.
4Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn.
14Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;
28Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.
7Wie dient ooit in den krijg op eigen bezoldiging? Wie plant een wijngaard, en eet niet van zijn vrucht? Of wie weidt een kudde, en eet niet van de melk der kudde?
6Wanneer iemand zijn broeder uit het huis zijns vaders zal aangrijpen, zeggende: Gij hebt een kleed, wees ons ten overste, laat toch dezen aanstoot onder uw hand wezen;
7Zo zal hij in dien dag zijn hand opheffen, zeggende: Ik kan geen heelmeester wezen; er is ook geen brood en geen kleed in mijn huis; zet mij niet tot een overste des volks.
18Er is niemand van al de kinderen, die zij gebaard heeft, die haar zachtjes leidt; en niemand van al de kinderen, die zij opgevoed heeft, die haar bij de hand grijpt.
7De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is des leners knecht.
14Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid der raadslieden.
6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
15De arbeid der zotten maakt een iegelijk van hen moede; dewijl zij niet weten naar de stad te gaan.
28Want Ik zag toe, maar er was niemand, zelfs onder dezen, maar er was geen raadgever, dat Ik hen zou vragen, en zij Mij antwoord geven zouden.
27Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.
24Hij neemt het hart van de hoofden des volks der aarde weg, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
31Een windhond van goede lenden, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is.
6In diezelve dagen was er geen koning in Israel; een iegelijk deed, wat recht was in zijn ogen.
40Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
11Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt.
18De gangen haars wegs wenden zich ter zijde af; zij lopen op in het woeste, en vergaan.
15De goddeloze, heersende over een arm volk, is een brullende leeuw, en een beer, die ginds en weder loopt.
29Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht zijn desgenen, die wijs van hart is.
9Dit alles heb ik gezien, toen ik mijn hart begaf tot alle werk, dat onder de zon geschiedt: er is een tijd, dat de ene mens over den anderen mens heerst, hem ten kwade.
22De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid der raadslieden zal elkeen bestaan.
17Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig,
6O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.
7Want hij weet niet, wat er geschieden zal; want wie zal het hem te kennen geven, wanneer het geschieden zal?
16Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten.