Spreuken 30:25
De mieren zijn een onsterk volk; evenwel bereiden zij in de zomer haar spijs.
De mieren zijn een onsterk volk; evenwel bereiden zij in de zomer haar spijs.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
26De konijnen zijn een machteloos volk; nochtans stellen zij hun huis in den rotssteen.
27De sprinkhanen hebben geen koning; nochtans gaan zij allen uit, zich verdelende in hopen.
28De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen.
29Deze drie maken een goeden tred; ja, vier zijn er, die een goeden gang maken;
30De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren;
24Deze vier zijn van de kleinste der aarde; doch dezelve zijn wijs, met wijsheid wel voorzien.
5Red u, als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers.
6Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;
7Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende,
8Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst.
5Ziet, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof; het vlakke veld is hem tot spijs, en den jongeren.
6Op het veld maaien zij zijn voeder, en den wijnberg des goddelozen lezen zij af.
27Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.
27Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.
25Als het gras zich openbaart, en de grasscheuten gezien worden, laat de kruiden der bergen verzameld worden.
10Vertoont gij u slap ten dage uwer benauwdheid, uw kracht is nauw.
27Beschik uw werk daarbuiten, en bereid het voor u op den akker, en bouw daarna uw huis.
18Hij bouwt zijn huis als een motte, en als een hoeder de hutte maakt.
15Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer?
17Ten tijde, als zij van hitte vervlieten, worden zij uitgedelgd; als zij warm worden, verdwijnen zij uit haar plaats.
4Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn.
33Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;
13Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte.
46En Hij gaf hun gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan.
22De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.
23De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe.
15Het vuur zal u aldaar verteren; het zwaard zal u uitroeien, het zal u afeten, als de kevers, vermeerder u als sprinkhanen.
30Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel te vullen, dewijl hij honger heeft;
6De last der beesten, van het zuiden, naar het land des angstes, en der benauwdheid, van waar de sterke leeuw en de oude leeuw is, de basilisk en de vurige vliegende draak; hun goederen zullen zij voeren op den rug der veulens, en hun schatten op de bulten der kemelen, tot het volk, dat hun geen nut doen zal.
8En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.
23Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden.
24Aanmerkt de raven, dat zij niet zaaien, noch maaien, welke geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelve; hoeveel gaat gij de vogelen te boven?
14Er was een kleine stad, en weinig lieden waren daarin; en een groot koning kwam tegen haar, en hij omsingelde ze, en hij bouwde grote vastigheden tegen haar.
7Al de arbeid des mensen is voor zijn mond; en nochtans wordt de begeerlijkheid niet vervuld.
3Die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste.
4Die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker spijze was de wortel der jeneveren.
39
40
23Het ploegen der armen geeft veelheid der spijze; maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel.
18De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.
5Een wijs man is sterk; en een man van wetenschap maakt de kracht vast.
5Die in den zomer vergadert, is een verstandig zoon; maar die in den oogst vast slaapt, is een zoon die beschaamd maakt.
22De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.
15Vau. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis spijze, en haar dienstmaagden het bescheiden deel.
27Veel honigs te eten is niet goed; maar de onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eer.
38Gij zult veel zaads op den akker uitbrengen, maar gij zult weinig inzamelen; want de sprinkhaan zal het verteren.
7Zij schreeuwden tussen de struiken; onder de netelen vergaderden zij zich.
24En de ossen, en ezelveulens, die het land bouwen, zullen zuiver voeder eten, hetwelk verschud is met de werpschoffel en met de wan.
10Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;
9Die Zich verkwikt door verwoesting over een sterke; zodat de verwoesting komt over een vesting.