Job 39:10

Statenvertaling (States Bible)

Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 1:14 : 14 Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.
  • Job 39:5 : 5 Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren?
  • Job 39:7 : 7 Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.
  • Job 41:5 : 5 Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking.
  • Ps 129:3 : 3 Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getogen.
  • Hos 10:10-11 : 10 Het is in Mijn lust, dat Ik ze zal binden; en volken zullen tegen henlieden verzameld worden, als Ik ze binden zal in hun twee voren. 11 Dewijl Efraim een vaars is, gewend gaarne te dorsen, zo ben Ik over de schoonheid van haar hals overgegaan; Ik zal Efraim berijden, Juda zal ploegen, Jakob zal voor zich eggen.
  • Micha 1:13 : 13 Span de snelle dieren aan den wagen, gij inwoners van Lachis! (deze is der dochter Sions het beginsel der zonde) want in u zijn Israels overtredingen gevonden.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 39:5-9
    5 verzen
    92%

    5Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren?

    6Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?

    7Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.

    8Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?

    9Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.

  • Job 39:11-13
    3 verzen
    85%

    11Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.

    12Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?

    13Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?

  • 21Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds.

  • 8God heeft hem uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn; hij zal de heidenen, zijn vijanden, verteren, en hun gebeente breken, en met zijn pijlen doorschieten.

  • 22God heeft hen uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn.

  • Job 39:19-21
    3 verzen
    72%

    19Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.

    20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.

    21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.

  • Job 41:1-7
    7 verzen
    72%

    1Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?

    2Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.

    3Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis.

    4Wie zou het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zou met zijn dubbelen breidel hem aankomen?

    5Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking.

    6Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel.

    7Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.

  • 7En de eenhoornen zullen met hen afgaan, en de varren met de stieren; en hun land zal doordronken zijn van het bloed, en hun stof zal van het smeer vet gemaakt worden.

  • 6En Hij doet ze huppelen als een kalf, de Libanon en Sirjon als een jongen eenhoorn.

  • Job 39:1-2
    2 verzen
    72%

    1Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de graagheid der jonge leeuwen vervullen?

    2Als zij nederbukken in de holen, en in den kuil zitten, ter loering?

  • Job 38:31-34
    4 verzen
    70%

    31Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken?

    32Kunt gij de Mazzaroth voortbrengen op haar tijd, en den Wagen met zijn kinderen leiden?

    33Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen?

    34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?

  • Job 38:38-39
    2 verzen
    70%

    38Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?

    39

  • 5Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder?

  • Job 40:15-17
    3 verzen
    68%

    15Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar.

    16Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks.

    17De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.

  • 13In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op.

  • 17Hij heeft de heerlijkheid des eerstgeborenen zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen des eenhoorns; met dezelve zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden des lands. Dezen nu zijn de tien duizenden van Efraim, en dezen zijn de duizenden van Manasse!

  • 10Want zie, Uw vijanden, o HEERE! want zie, Uw vijanden zullen vergaan; al de werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden.

  • 9Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.

  • 9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.

  • 5Een hert, en een ree, en een buffel, en een steenbok, en een das, en een wilde os, en een gems.

  • 23Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden.

  • 64%

    7Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;

  • 10Gij zult niet ploegen met een os en met een ezel te gelijk.

  • 10Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.

  • 11Hij bindt zijn jongen ezel aan den wijnstok, en het veulen zijner ezelin aan den edelste wijnstok; hij wast zijn kleed in den wijn, en zijn mantel in wijndruivenbloed.

  • 20Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?

  • 23Want met de stenen des velds zal uw verbond zijn, en het gedierte des velds zal met u bevredigd zijn.

  • 10Zijn stier bespringt, en mist niet; zijn koe kalft, en misdraagt niet.

  • 5Want ook de hinden in het veld werpen jongen, en verlaten die, omdat er geen jong gras is.