Psalmen 29:6

Statenvertaling (States Bible)

En Hij doet ze huppelen als een kalf, de Libanon en Sirjon als een jongen eenhoorn.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Deut 3:9 : 9 (De Zidoniers noemen Hermon Sirjon; maar de Amorieten noemen hem Senir.)
  • Num 23:22 : 22 God heeft hen uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn.
  • Ps 92:10 : 10 Want zie, Uw vijanden, o HEERE! want zie, Uw vijanden zullen vergaan; al de werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden.
  • Ps 114:4-7 : 4 De bergen sprongen als rammen, de heuvelen als lammeren. 5 Wat was u, gij zee! dat gij vloodt? gij Jordaan! dat gij achterwaarts keerdet? 6 Gij bergen, dat gij opsprongt als rammen? gij heuvelen! als lammeren? 7 Beef, gij aarde! voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs;
  • Jer 4:23-25 : 23 Ik zag het land aan, en ziet, het was woest en ledig; ook naar den hemel, en zijn licht was er niet. 24 Ik zag de bergen aan, en ziet, zij beefden; en al de heuvelen schudden. 25 Ik zag, en ziet, er was geen mens; en alle vogelen des hemels waren weggevlogen.
  • Hab 3:6-9 : 6 Hij stond, en mat het land, Hij zag toe, en maakte de heidenen los, en de gedurige bergen zijn verstrooid geworden; de heuvelen der eeuwigheid hebben zich gebogen; de gangen der eeuw zijn Zijne. 7 Ik zag de tenten van Kusan onder de ijdelheid; de gordijnen des lands van Midian schudden. 8 Was de HEERE ontstoken tegen de rivieren? Was Uw toorn tegen de rivieren, was Uw verbolgenheid tegen de zee, toen Gij op Uw paarden reedt? Uw wagens waren heil. 9 De naakte grond werd ontbloot door Uw boog, om de eden, aan de stammen gedaan door het woord. Sela. Gij hebt de rivieren der aarde gekloofd. 10 De bergen zagen U, en leden smart; de waterstroom ging door, de afgrond gaf zijn stem, hij hief zijn zijden op in de hoogte. 11 De zon en de maan stonden stil in haar woning; met het licht gingen Uw pijlen daarhenen, met glans Uw bliksemende spies.
  • Opb 20:11 : 11 En ik zag een groten witten troon, en Dengene, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geen plaats is voor die gevonden.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 29:4-5
    2 verzen
    79%

    4De stem des HEEREN is met kracht, de stem des HEEREN is met heerlijkheid.

    5De stem des HEEREN breekt de cederen; ja, de HEERE verbreekt de cederen van Libanon.

  • Ps 29:7-9
    3 verzen
    75%

    7De stem des HEEREN houwt er vlammen vuurs uit.

    8De stem des HEEREN doet de woestijn beven; de HEERE doet de woestijn Kades beven.

    9De stem des HEEREN doet de hinden jongen werpen, en ontbloot de wouden; maar in Zijn tempel zegt Hem een iegelijk eer.

  • 6Gij bergen, dat gij opsprongt als rammen? gij heuvelen! als lammeren?

  • 4De bergen sprongen als rammen, de heuvelen als lammeren.

  • 22God heeft hen uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn.

  • Job 39:8-10
    3 verzen
    73%

    8Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?

    9Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.

    10Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.

  • 8God heeft hem uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn; hij zal de heidenen, zijn vijanden, verteren, en hun gebeente breken, en met zijn pijlen doorschieten.

  • 7En de eenhoornen zullen met hen afgaan, en de varren met de stieren; en hun land zal doordronken zijn van het bloed, en hun stof zal van het smeer vet gemaakt worden.

  • 5Zij zullen daarhenen springen als een gedruis van wagenen, op de hoogten der bergen; als het gedruis ener vuurvlam, die stoppelen verteert; als een machtig volk, dat in slagorde gesteld is.

  • 5Een hert, en een ree, en een buffel, en een steenbok, en een das, en een wilde os, en een gems.

  • 21Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds.

  • 4Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Gelijk als een leeuw, en een jonge leeuw over zijn roof brult, wanneer schoon een volle menigte der herderen samengeroepen wordt tegen hem, verschrikt hij voor hun stem niet, en vernedert zich niet vanwege hun veelheid; alzo zal de HEERE der heirscharen nederdalen, om te strijden voor den berg Sions en voor haar heuvel.

  • 17Hij heeft de heerlijkheid des eerstgeborenen zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen des eenhoorns; met dezelve zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden des lands. Dezen nu zijn de tien duizenden van Efraim, en dezen zijn de duizenden van Manasse!

  • 4Hij scheldt de zee, en maakt ze droog, en Hij verdroogt alle rivieren; Basan en Karmel kwelen, ook kweelt de bloem van Libanon.

  • 34Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en stelt mij op mijn hoogten.

  • 34En Hij zal met ijzer de verwarde struiken des wouds omhouwen; en de Libanon zal vallen door den Heerlijke.

  • 1Doe uw deuren open, o Libanon! opdat het vuur uw cederen vertere.

  • 8Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen!

  • 17De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.

  • Ps 148:9-10
    2 verzen
    67%

    9Gij bergen en alle heuvelen; vruchtbomen en alle cederbomen!

    10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!

  • 29Hun gebrul zal zijn als van een ouden leeuw, en zij zullen brullen als de jonge leeuwen, en zij zullen briesen, en den roof aangrijpen en wegvoeren; en er zal geen verlosser zijn.

  • 33Het is God, Die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.

  • 10Want zie, Uw vijanden, o HEERE! want zie, Uw vijanden zullen vergaan; al de werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden.

  • 16De bomen des HEEREN worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft;

  • 6En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij den geitenbok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een klein jongske zal ze drijven.

  • 67%

    7Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;

  • 10De brulling des leeuws, en de stem des fellen leeuws, en de tanden der jonge leeuwen worden verbroken.

  • 10Zij zullen den HEERE achterna wandelen, Hij zal brullen als een leeuw, wanneer Hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen.

  • Jes 2:13-14
    2 verzen
    66%

    13En tegen alle hoge en verhevene cederen van Libanon, en tegen alle eiken van Basan;

    14En tegen alle hoge bergen, en tegen alle verhevene heuvelen;

  • 18De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.

  • 30De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren;

  • Job 21:10-11
    2 verzen
    66%

    10Zijn stier bespringt, en mist niet; zijn koe kalft, en misdraagt niet.

    11Hun jonge kinderen zenden zij uit als een kudde, en hun kinderen huppelen.

  • 6Opdat zij niet hore naar de stem der belezers, desgenen, die ervaren is met bezweringen om te gaan.

  • 20Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?

  • 12Gij kroont het jaar Uwer goedheid; en Uw voetstappen druipen van vettigheid.

  • 22Toen werden de paardenhoeven verpletterd, van het rennen, het rennen zijner machtigen.

  • 2Zij zal lustig bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen; de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sieraard van Karmel en Saron; zij zullen zien de heerlijkheid des HEEREN, het sieraad onzes Gods.

  • 21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.

  • 17Is het niet nog om een klein weinig, dat de Libanon in een vruchtbaar veld zal veranderd worden, en het vruchtbare veld voor een woud geacht zal worden?

  • 8Ook verheugen zich de dennen over u, en de cederen van Libanon, zeggende: Sinds dat gij daar nederligt, komt niemand tegen ons op, die ons afhouwe.

  • 16En de Libanon is niet genoegzaam om te branden, en zijn gedierte is niet genoegzaam ten brandoffer.

  • 6Alsdan zal de kreupele springen als een hert, en de tong des stommen zal juichen; want in de woestijn zullen wateren uitbarsten, en beken in de wildernis.