Job 26:9

Statenvertaling (States Bible)

Hij houdt het vlakke Zijns troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 97:2 : 2 Rondom Hem zijn wolken en donkerheid, gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Zijns troons.
  • Hab 3:3-5 : 3 God kwam van Theman, en de Heilige van den berg Paran. Sela. Zijn heerlijkheid bedekte de hemelen, en het aardrijk was vol van Zijn lof. 4 En er was een glans als des lichts, Hij had hoornen aan Zijn hand, en aldaar was Zijn sterkte verborgen. 5 Voor Zijn aangezicht ging de pestilentie, en de vurige kool ging voor Zijn voeten henen.
  • 1 Tim 6:16 : 16 Die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont; Denwelken geen mens gezien heeft, noch zien kan; Welken zij eer en eeuwige kracht. Amen.
  • Ex 20:21 : 21 En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was.
  • Ex 33:20-23 : 20 Hij zeide verder: Gij zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven. 21 De HEERE zeide verder: Zie, er is een plaats bij Mij; daar zult gij u op de steenrots stellen. 22 En het zal geschieden, wanneer Mijn heerlijkheid voorbij zal gaan, zo zal Ik u in een kloof der steenrots zetten; en Ik zal u met Mijn hand overdekken, totdat Ik zal voorbijgegaan zijn. 23 En wanneer Ik Mijn hand zal weggenomen hebben, zo zult gij Mijn achterste delen zien; maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden.
  • Ex 34:3 : 3 En niemand zal met u opklimmen; dat er ook niemand gezien worde op den gansen berg; ook het kleine vee, noch runderen zullen tegenover dezen berg niet weiden.
  • 1 Kon 8:12 : 12 Toen zeide Salomo: De HEERE heeft gezegd, dat Hij in donkerheid zou wonen.
  • Job 22:14 : 14 De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 26:7-8
    2 verzen
    86%

    7Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet.

    8Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.

  • 32Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.

  • 12En Hij zette duisternis rondom Zich tot tenten, een samenbinding der wateren, wolken des hemels.

  • Job 22:13-14
    2 verzen
    80%

    13Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen?

    14De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.

  • Ps 18:11-12
    2 verzen
    80%

    11En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.

    12Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.

  • Job 26:10-14
    5 verzen
    78%

    10Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.

    11De pilaren des hemels sidderen, en ontzetten zich voor Zijn schelden.

    12Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing.

    13Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft de langwemelende slang geschapen.

    14Ziet, dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord? Wie zou dan den donder Zijner mogendheden verstaan?

  • Job 37:11-12
    2 verzen
    78%

    11Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts.

    12Die keert zich dan naar Zijn wijzen raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde.

  • Job 36:27-30
    4 verzen
    78%

    27Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten;

    28Welke de wolken uitgieten, en over den mens overvloediglijk afdruipen.

    29Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen Zijner hutte?

    30Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt Hij.

  • 2Rondom Hem zijn wolken en donkerheid, gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Zijns troons.

  • 9Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek;

  • Ps 104:2-3
    2 verzen
    75%

    2Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.

    3Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.

  • 34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?

  • 9Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.

  • Job 9:7-8
    2 verzen
    74%

    7Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren;

    8Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee;

  • 10En Hij boog den hemel, en daalde neder; en donkerheid was onder Zijn voeten.

  • 11Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht.

  • 13Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.

  • 16Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.

  • Job 37:3-6
    4 verzen
    72%

    3Dat zendt Hij rechtuit onder den gansen hemel, en Zijn licht over de einden der aarde.

    4Daarna brult Hij met de stem; Hij dondert met de stem Zijner hoogheid, en vertrekt die dingen niet, als Zijn stem zal gehoord worden.

    5God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet.

    6Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.

  • 11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.

  • 7Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit Zijn schatkameren voort.

  • 72%

    6Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; HEERE is Zijn Naam.

  • 28Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte;

  • Job 28:25-26
    2 verzen
    72%

    25Als Hij den wind het gewicht maakte, en de wateren opwoog in mate;

    26Als Hij den regen een gezette orde maakte, en een weg voor het weerlicht der donderen;

  • 15Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om.

  • 18Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?

  • 44Samech. Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam.

  • Job 37:21-22
    2 verzen
    72%

    21En nu ziet men het licht niet als het helder is in den hemel, als de wind doorgaat, en dien zuivert;

    22Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit!

  • Job 37:15-16
    2 verzen
    71%

    15Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht Zijner wolk laat schijnen?

    16Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?

  • 6Wanneer zijn hoogheid tot den hemel toe opklomme, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte;

  • 8Die de hemelen met wolken bedekt, Die voor de aarde regen bereidt; Die het gras op de bergen doet uitspruiten;