Job 26:10
Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.
Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
7Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet.
8Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.
9Hij houdt het vlakke Zijns troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover.
9Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.
30Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt Hij.
28Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte;
29Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde;
10Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;
11En zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.
12Hebt gij van uw dagen den morgenstond geboden? Hebt gij den dageraad zijn plaats aangewezen;
7Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.
9Langer dan de aarde is haar maat, en breder dan de zee.
10Indien Hij voorbijgaat, opdat Hij overlevere of vergadere, wie zal dan Hem afkeren?
11De pilaren des hemels sidderen, en ontzetten zich voor Zijn schelden.
12Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing.
11Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht.
24Want Hij schouwt tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder al de hemelen.
25Als Hij den wind het gewicht maakte, en de wateren opwoog in mate;
12Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand.
13Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
7Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren;
8Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee;
11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.
12En Hij zette duisternis rondom Zich tot tenten, een samenbinding der wateren, wolken des hemels.
5Dewijl zijn dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is, en Gij zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal;
15Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om.
3Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods.
30Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.
6En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!
16De dag is Uwe, ook is de nacht Uwe; Gij hebt het licht en de zon bereid.
17Gij hebt al de palen der aarde gesteld; zomer en winter, die hebt Gij geformeerd.
15Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand;
16Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
18Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?
16Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?
17En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.
18En om te heersen op den dag, en in den nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was.
2Want Hij heeft ze gegrond op de zeeen, en heeft ze gevestigd op de rivieren.
6Dien, Die de aarde op het water uitgespannen heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
3Dat zendt Hij rechtuit onder den gansen hemel, en Zijn licht over de einden der aarde.
27Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten;
20Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druipen dauw.
32Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.
25Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?
14De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.
6Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.
11En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.
16En de diepe kolken der zee werden gezien, de gronden der wereld werden ontdekt, door het schelden des HEEREN, van het geblaas des winds van Zijn neus.
32
19Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang.