Genesis 1:6

Statenvertaling (States Bible)

En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Jer 51:15 : 15 Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand;
  • Ps 104:2 : 2 Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.
  • Job 37:18 : 18 Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?
  • Ps 33:6 : 6 Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.
  • Job 26:7-8 : 7 Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet. 8 Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.
  • Ps 33:9 : 9 Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.
  • Ps 136:5-6 : 5 Dien, die de hemelen met verstand gemaakt heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid. 6 Dien, Die de aarde op het water uitgespannen heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
  • Zach 12:1 : 1 De last van het woord des HEEREN over Israel. De HEERE spreekt, Die den hemel uitbreidt, en de aarde grondvest, en des mensen geest in zijn binnenste formeert.
  • Ps 19:1 : 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
  • Jer 10:12-13 : 12 Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand. 13 Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
  • Ps 148:4 : 4 Looft Hem, gij hemelen der hemelen! en gij wateren, die boven de hemelen zijt!
  • Ps 150:1 : 1 Hallelujah! Looft God in Zijn heiligdom; looft Hem in het uitspansel Zijner sterkte!
  • Pred 11:3 : 3 Als de wolken vol geworden zijn, zo storten zij plasregen uit op de aarde; en als de boom naar het zuiden, of als hij naar het noorden valt, in de plaats, waar de boom valt, daar zal hij wezen.
  • Jer 10:10 : 10 Maar de HEERE God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijn verbolgenheid beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn gramschap niet verdragen.
  • Job 38:22-26 : 22 Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien? 23 Dien Ik ophoude tot den tijd der benauwdheid, tot den dag des strijds en des oorlogs! 24 Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde? 25 Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen? 26 Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is;
  • Job 26:13 : 13 Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft de langwemelende slang geschapen.
  • Job 37:11 : 11 Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts.
  • Gen 1:14 : 14 En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren!
  • Gen 1:20 : 20 En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels!
  • Gen 7:11-12 : 11 In het zeshonderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op de zeventiende dag der maand, op dezen zelfden dag zijn alle fonteinen des groten afgronds opengebroken, en de sluizen des hemels geopend. 12 En een plasregen was op de aarde veertig dagen en veertig nachten.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Gen 1:7-11
    5 verzen
    94%

    7En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was alzo.

    8En God noemde het uitspansel hemel. En het was avond geweest, en het was morgen geweest, de tweede dag.

    9En God zeide: Dat de wateren van onder de hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! en het was alzo.

    10En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde Hij zeeen; en God zag, dat het goed was.

    11En God zeide: Dat de aarde uitschiete gras, kruid zaadzaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de aarde! En het was alzo.

  • Gen 1:13-24
    12 verzen
    83%

    13Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de derde dag.

    14En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren!

    15En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde! En het was alzo.

    16God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren.

    17En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.

    18En om te heersen op den dag, en in den nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was.

    19Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag.

    20En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels!

    21En God schiep de grote walvissen, en alle levende wremelende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.

    22En God zegende ze, zeggende: Zijt vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeen; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde!

    23Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vijfde dag.

    24En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo.

  • Gen 1:1-5
    5 verzen
    82%

    1In den beginne schiep God den hemel en de aarde.

    2De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren.

    3En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.

    4En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.

    5En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.

  • Gen 1:26-28
    3 verzen
    74%

    26En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.

    27En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze.

    28En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!

  • 4Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden; ten dage als de HEERE God de aarde en den hemel maakte.

  • 2 Petr 3:5-6
    2 verzen
    73%

    5Want willens is dit hun onbekend, dat door het woord Gods de hemelen van over lang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande;

    6Door welke de wereld, die toen was, met het water van den zondvloed bedekt zijnde, vergaan is.

  • Ps 33:6-7
    2 verzen
    73%

    6Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.

    7Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.

  • 6Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde den ganse aardbodem.

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

  • 28Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte;

  • 2Ook werden de fonteinen des afgronds, en de sluizen des hemels gesloten, en de plasregen van den hemel werd opgehouden.

  • 10Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.

  • 4Looft Hem, gij hemelen der hemelen! en gij wateren, die boven de hemelen zijt!

  • 16Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.

  • 10En het geschiedde na die zeven dagen, dat de wateren des vloeds op de aarde waren.

  • 1Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun heir.

  • 25En er geschiedde een stem van boven het uitspansel, hetwelk boven hun hoofden was, als zij stonden, en hun vleugelen nedergelaten hadden.

  • 21Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed de HEERE de zee weggaan, door een sterken oostenwind, dien gansen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd.

  • 6Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.

  • 15Toen sprak God tot Noach, zeggende:

  • 22En over de hoofden der dieren was de gelijkenis eens uitspansels, gelijk de verf van het vreselijke kristal, van boven af over hun hoofden uitgespreid.

  • 18En de wateren namen de overhand, en vermeerderden zeer op de aarde; en de ark ging op de wateren.

  • 70%

    6Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; HEERE is Zijn Naam.

  • 31En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag.