Psalmen 50:11

Statenvertaling (States Bible)

Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Gen 1:20-22 : 20 En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels! 21 En God schiep de grote walvissen, en alle levende wremelende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. 22 En God zegende ze, zeggende: Zijt vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeen; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde!
  • Matt 6:26 : 26 Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven?
  • Matt 10:29-31 : 29 Worden niet twee musjes om een penningsken verkocht? En niet een van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader. 30 En ook uw haren des hoofds zijn alle geteld. 31 Vreest dan niet; gij gaat vele musjes te boven.
  • Luk 12:24 : 24 Aanmerkt de raven, dat zij niet zaaien, noch maaien, welke geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelve; hoeveel gaat gij de vogelen te boven?
  • Job 38:41 : 41
  • Job 39:13-18 : 13 Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen? 14 Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten? 15 Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer? 16 Zijn an u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels? 17 Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt. 18 En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen?
  • Job 39:26-30 : 26 Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans. 27 Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin. 28 In het volle geklank der bazuin, zegt het: Heah! en ruikt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich. 29 Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugelen uit naar het zuiden? 30 Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt? [ (Job 39:31) Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats. ] [ (Job 39:32) Van daar speurt hij de spijze op; zijn ogen zien van verre af. ] [ (Job 39:33) Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij. ] [ (Job 39:34) En de HEERE antwoordde Job, en zeide: ] [ (Job 39:35) Is het twisten met den Almachtige onderrichten? Wie God bestraft, die antwoorde daarop. ] [ (Job 39:36) Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide: ] [ (Job 39:37) Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. ] [ (Job 39:38) Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren. ]
  • Ps 104:12 : 12 Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.
  • Ps 147:9 : 9 Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.
  • Jes 56:9 : 9 Al gij gedierten des velds, komt om te eten, ja, al gij gedierten in het woud!
  • Ezech 14:15-16 : 15 Zo Ik het boos gedierte make door het land door te gaan, hetwelk dat van kinderen berove, zodat het woest worde, dat er niemand doorga, vanwege het gedierte; 16 Die drie mannen in het midden deszelven zijnde, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij zonen, en zo zij dochteren bevrijden zouden, zij zelven alleen zouden bevrijd worden, maar het land zou woest worden.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 50:9-10
    2 verzen
    91%

    9Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien;

    10Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen.

  • Ps 50:12-13
    2 verzen
    83%

    12Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid.

    13Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?

  • Ps 148:9-10
    2 verzen
    76%

    9Gij bergen en alle heuvelen; vruchtbomen en alle cederbomen!

    10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!

  • Ps 8:7-8
    2 verzen
    74%

    7Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;

    8Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.

  • 9Al gij gedierten des velds, komt om te eten, ja, al gij gedierten in het woud!

  • 20Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?

  • 8Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?

  • 11Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een ziedende pot en ruimen ketel.

  • 9Mijn erfenis is Mij een gesprenkelde vogel; de vogelen zijn rondom tegen haar; komt aan, verzamelt, al gij gedierte des velds, komt om te eten!

  • 46Dit is de wet van de beesten, en van het gevogelte, en van alle levende ziel, die zich roert in de wateren, en van alle ziel, die kruipt op de aarde;

  • 14Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Mijnen gekend.

  • 7En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven.

  • 20Het gedierte des velds zal Mij eren, de draken en de jonge struisen; want Ik zal in de woestijn wateren geven, en rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorenen drinken te geven.

  • Ps 104:20-21
    2 verzen
    68%

    20Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:

    21De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.

  • 9Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.

  • Jer 27:5-6
    2 verzen
    68%

    5Ik heb gemaakt de aarde, den mens en het vee, die op den aardbodem zijn, door Mijn grote kracht, en door Mijn uitgestrekten arm, en Ik geef ze aan welken het recht is in Mijn ogen.

    6En nu, Ik heb al deze landen gegeven in de hand van Nebukadnezar, den koning van Babel, Mijn knecht; zelfs ook het gedierte des velds heb Ik hem gegeven, om hem te dienen.

  • 26Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve.

  • 11Gij hebt Rahab verbrijzeld als een verslagene; Gij hebt Uw vijanden verstrooid met den arm Uwer sterkte.

  • 11Die ons geleerder maakt dan de beesten der aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte des hemels?

  • 68%

    18O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest.

    19Tot U, o HEERE! roep ik; want een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen des velds aangestoken.

    20Ook schreeuwt elk beest des velds tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd.

  • 6Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?

  • 17Want alle eerstgeborene onder de kinderen Israels is Mijn, onder de mensen en onder de beesten; ten dage dat Ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb Ik dezelve Mij geheiligd.

  • 1Een psalm van David. De aarde is des HEEREN, mitsgaders haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.

  • 11Want zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik, ja, Ik zal naar Mijn schapen vragen, en zal ze opzoeken.

  • 4In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne;

  • 13Waarom hebt Gij zijn muren doorgebroken, zodat allen, die den weg voorbijgaan, hem plukken?

  • 1Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.

  • Ps 139:3-4
    2 verzen
    67%

    3Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.

    4Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, HEERE! Gij weet het alles.

  • 31Gij nu, o Mijn schapen, schapen Mijner weide! gij zijt mensen; maar Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE.

  • 7Dies werd Ik hun als een felle leeuw; als een luipaard loerde Ik op den weg.

  • Ps 104:11-12
    2 verzen
    67%

    11Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.

    12Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.

  • 18De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.

  • 3Maar Gij, o HEERE! kent mij, Gij ziet mij, en proeft mijn hart, dat het met U is. Ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot den dag der doding.

  • 19Al wat de baarmoeder opent, is Mijn; ja, al uw vee, dat mannelijk zal geboren worden, openende de baarmoeder van het grote en kleine vee.

  • 30Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb Ik al het groene kruid tot spijze gegeven. En het was alzo.

  • 28Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.

  • 6O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe.

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij.

  • 8En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.

  • 22Daarom zal Ik Mijn schapen verlossen, dat zij niet meer tot een roof zullen zijn; en Ik zal richten tussen klein vee en klein vee.