Job 12:18
Den band der koningen maakt Hij los, en Hij bindt den gordel aan hun lenden.
Den band der koningen maakt Hij los, en Hij bindt den gordel aan hun lenden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
19Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert Hij om.
20Hij beneemt den getrouwen de spraak, en der ouden oordeel neemt Hij weg.
21Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt den riem der geweldigen.
22Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en des doods schaduwe brengt Hij voort in het licht.
23Hij vermenigvuldigt de volken, en verderft ze; Hij breidt de volken uit, en leidt ze.
24Hij neemt het hart van de hoofden des volks der aarde weg, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
25Zij tasten in de duisternis, waar geen licht is; en Hij doet hen dwalen, als een dronkaard.
14Ziet, Hij breekt af, en het zal niet herbouwd worden; Hij besluit iemand, en er zal niet opengedaan worden.
15Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om.
16Bij Hem is kracht en wijsheid; Zijns is de dwalende, en die doet dwalen.
17Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig,
8Om hun koningen te binden met ketenen, en hun achtbaren met ijzeren boeien;
8En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden der ellende;
5Want gerechtigheid zal de gordel Zijner lendenen zijn; ook zal de waarheid de gordel Zijner lendenen zijn.
11Want Hij heeft mijn zeel losgemaakt, en mij bedrukt; daarom hebben zij den breidel voor mijn aangezicht afgeworpen.
3Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.
22Om zijn vorsten te binden naar zijn lust, en zijn oudsten te onderwijzen.
19Die zij hem als een kleed, waarmede hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmede hij zich steeds omgordt.
1Alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Ga henen, en koop u een linnen gordel, en doe dien aan uw lenden, maar breng hem niet in het water.
2En ik kocht een gordel naar het woord des HEEREN, en ik deed dien aan mijn lenden.
23Die de vorsten te niet maakt; de richters der aarde maakt Hij tot ijdelheid.
12Die keert zich dan naar Zijn wijzen raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde.
20De koning zond, en deed hem ontslaan; de heerser der volken liet hem los.
13Maar nu zal Ik zijn juk van u breken, en zal uw banden verscheuren.
40Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
4De boog der sterken is gebroken; en die struikelden, zijn met sterkte omgord.
12Doet geloften en betaalt ze den HEERE, uw God, gij allen, die rondom Hem zijt! Laat hen Dien, Die te vrezen is, geschenken brengen; [ (Psalms 76:13) Die den geest der vorsten als druiven afsnijdt; Die den koningen der aarde vreselijk is. ]
21Want Hij verandert de tijden en stonden; Hij zet de koningen af, en Hij bevestigt de koningen; Hij geeft den wijzen wijsheid, en wetenschap dengenen, die verstand hebben;
15Gegord met een gordel aan hun lenden, hebbende overvloedig geverfde hoeden op hun hoofden, die allen in het aanzien hoofdmannen waren, naar de gelijkenis der kinderen van Babel, van Chaldea, het land hunner geboorte;
24Hij vermorzelt de geweldigen, dat men het niet doorzoeken kan, en stelt anderen in hun plaats.
15Hij zal den ellendige in zijn ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal Hij het voor hunlieder oor openbaren.
16Alzo zou Hij ook u afgekeerd hebben van den mond des angstes tot de ruimte, onder dewelke geen benauwing zou geweest zijn; en het gerecht uwer tafel zou vol vettigheid geweest zijn.
26Een wijs koning verstrooit de goddelozen, en hij brengt het rad over hen.
21En Ik zal hem met uw rok bekleden, en Ik zal hem met uw gordel sterken, en uw heerschappij zal Ik in zijn hand geven; en hij zal den inwoneren te Jeruzalem en den huize van Juda tot een vader zijn.
6Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.
4Waar het woord des konings is, daar is heerschappij; en wie zal tot hem zeggen: Wat doet gij?
39Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten.
32Want wie is God, behalve de HEERE? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God?
11Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht.
18Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks.
10Den naakte doen zij weggaan zonder kleed, en hongerig, die garven dragen.
10Gij, die den koningen overwinning geeft, Die Zijn knecht David ontzet van het boze zwaard;
7Die den verdrukte recht doet, Die den hongerige brood geeft; de HEERE maakt de gevangenen los.
14Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;
19En Ik zal u afstoten van uw staat, en van uw stand zal Hij u verstoren.
22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.
17Die de wereld als een woestijn stelde, en derzelver steden verstoorde, die zijn gevangenen niet liet los gaan naar huis toe?
6Toen veranderde zich de glans des konings, en zijn gedachten verschrikten hem; en de banden zijner lendenen werden los, en zijn knieen stieten tegen elkander aan.
8Want het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE der heirscharen, dat Ik zijn juk van uw hals verbreken, en uw banden verscheuren zal; en vreemden zullen zich niet meer van hem doen dienen.
13Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten.