Psalmen 109:19

Statenvertaling (States Bible)

Die zij hem als een kleed, waarmede hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmede hij zich steeds omgordt.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 109:29 : 29 Laat mijn tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hun beschaamdheid zich bedekken, als met een mantel.
  • Ps 132:18 : 18 Ik zal zijn vijanden met schaamte bekleden; maar op hem zal zijn kroon bloeien.
  • Ps 35:26 : 26 Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken.
  • Ps 109:18 : 18 En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 109:17-18
    2 verzen
    84%

    17Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zo zij die verre van hem.

    18En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen.

  • Ps 109:28-29
    2 verzen
    79%

    28Laat hen vloeken, maar zegen Gij; laat hen zich opmaken, maar dat zij beschaamd worden; doch dat zich Uw knecht verblijde.

    29Laat mijn tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hun beschaamdheid zich bedekken, als met een mantel.

  • 20Dit zij het werkloon mijner tegenstanders van den HEERE, en dergenen, die kwaad spreken tegen mijn ziel.

  • 17Want Hij trok gerechtigheid aan als een pantser, en den helm des heils zette Hij op Zijn hoofd, en de klederen der wraak trok Hij aan tot kleding, en Hij deed den ijver aan als een mantel.

  • 18Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks.

  • 9Geef, HEERE! de begeerten des goddelozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela.

  • 6Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.

  • 5Want gerechtigheid zal de gordel Zijner lendenen zijn; ook zal de waarheid de gordel Zijner lendenen zijn.

  • 14Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed.

  • Ps 35:25-26
    2 verzen
    72%

    25Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!

    26Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken.

  • 15Dat zij gedurig voor den HEERE zijn; en Hij roeie hun gedachtenis uit van de aarde.

  • Ps 109:6-11
    6 verzen
    72%

    6Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand.

    7Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde.

    8Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt;

    9Dat zijn kinderen wezen worden, en zijn vrouw weduwe.

    10En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken.

    11Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven.

  • 14Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed?

  • 8De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.

  • 28En hij veroudert als een verrotting, als een kleed, dat de mot opeet.

  • Ps 69:22-23
    2 verzen
    70%

    22Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.

    23Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.

  • 18Den band der koningen maakt Hij los, en Hij bindt den gordel aan hun lenden.

  • 7Mijn vijand zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde.

  • 39Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten.

  • 27Want dat alleen is zijn deksel, het is zijn kleed over zijn huid; waarin zou hij liggen? Het zal dan geschieden, wanneer hij tot Mij roept, dat Ik het zal horen; want Ik ben genadig!

  • 11En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.

  • 22Thau. Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, en doe hun, gelijk als Gij mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen; want mijn zuchtingen zijn vele, en mijn hart is mat.

  • 2En ik kocht een gordel naar het woord des HEEREN, en ik deed dien aan mijn lenden.

  • 18Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.

  • 19En ik was als een lam, als een os, die geleid wordt om te slachten; want ik wist niet, dat zij gedachten tegen mij dachten, zeggende: Laat ons den boom met zijn vrucht verderven, en laat ons hem uit het land der levenden uitroeien, dat zijn naam niet meer gedacht worde.

  • 9Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft Hij weggenomen.

  • 14Het behage U, HEERE! mij te verlossen; HEERE! haast U tot mijn hulp.

  • 18Laat mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden; laat hen verschrikt worden, maar laat mij niet verschrikt worden; breng over hen den dag des kwaads, en verbreek hen met een dubbele verbreking.

  • 3Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd.

  • 2Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.

  • 41Gij hebt al zijn muren doorgebroken; Gij hebt zijn vestingen nedergeworpen.

  • 13Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten.

  • 3Ik bekleed den hemel met zwartheid, en stel een zak tot zijn deksel.

  • 13Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijn ziel tegen zijn; laat hen met smaad en schande overdekt worden, die mijn kwaad zoeken.

  • 3Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getogen.

  • 19Zo ik iemand heb zien omkomen, omdat hij zonder kleding was, en dat de nooddruftige geen deksel had;

  • 12Misschien zal de HEERE mijn ellende aanzien; en de HEERE zal mij goed vergelden voor zijn vloek, te dezen dage.

  • 6Laat hen worden als gras op de daken, hetwelk verdort, eer men het uittrekt;

  • 18Ik zal zijn vijanden met schaamte bekleden; maar op hem zal zijn kroon bloeien.

  • 23En het gat des mantels was in deszelfs midden, als het gat eens pantsiers; dit gat had een boord rondom, dat het niet gescheurd wierd.

  • 9Ziet, de Heere HEERE helpt Mij, wie is het, die Mij zal verdoemen? Ziet, zij zullen altemaal als een kleed verouden, die mot zal hen eten.