Job 36:4
Want voorwaar, mijn woorden zullen geen valsheid zijn; een, die oprecht is van gevoelen, is bij u.
Want voorwaar, mijn woorden zullen geen valsheid zijn; een, die oprecht is van gevoelen, is bij u.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en mijn Schepper gerechtigheid toewijzen.
3Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.
3Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.
4Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, HEERE! Gij weet het alles.
4Want gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen.
16Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?
33God is mijn Sterkte en Kracht; en Hij heeft mijn weg volkomen geopend.
32Want wie is God, behalve de HEERE? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God?
30Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur.
20Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren.
21Ben ik oprecht, zo acht ik toch mijn ziel niet; ik versmaad mijn leven.
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
31Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.
8Al de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in.
9Zij zijn alle recht voor dengene, die verstandig is, en rechtmatig voor degenen, die wetenschap vinden.
6Hij wege mij op, in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtigheid weten.
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
5Zie, God is geweldig, nochtans versmaadt Hij niet; geweldig is Hij in kracht des harten.
20Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap?
21Om u bekend te maken de zekerheid van de redenen der waarheid; opdat gij de redenen der waarheid antwoorden moogt dengenen, die u zenden.
3Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.
6De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.
13Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.
4Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!
6Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in het land, dat zij bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen.
12Hierbij weet ik, dat Gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen.
3Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
13Oprecht zult gij zijn met den HEERE, uw God.
7Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse.
2Ik zal verstandelijk handelen in den oprechten weg; wanneer zult Gij tot mij komen? Ik zal in het midden mijns huizes wandelen, in oprechtigheid mijns harten.
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
5Alle rede Gods is doorlouterd; Hij is een Schild dengenen, die op Hem betrouwen.
35Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.
10Daarom, gij, lieden van verstand, hoort naar mij: Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht!
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
9Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben zuiver, en heb geen misdaad.
12Ook waarlijk, God handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet.
4Want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw.
10Doch Hij kent den weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen.
24Maar ik was oprecht voor Hem; en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.
7Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?
7Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.
5Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.
20Zie, God zal den oprechte niet verwerpen; Hij vat ook de boosdoeners niet bij de hand;
16Bij Hem is kracht en wijsheid; Zijns is de dwalende, en die doet dwalen.
3Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want de HEERE is een God der wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan.
4Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.
4Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;