Job 3:22
Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden;
Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
20Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?
21Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten;
23Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?
22Dies ik gezien heb, dat er niets beters is, dan dat de mens zich verblijde in zijn werken, want dat is zijn deel; want wie zal hem daarhenen brengen, dat hij ziet, hetgeen na hem geschieden zal?
2Dies prees ik de doden, die alrede gestorven waren, boven de levenden, die tot nog toe levend zijn.
13Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!
14Als een man gestorven is, zal hij weder leven? Ik zou al de dagen mijns strijds hopen, totdat mijn verandering komen zou.
32Eindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en is gedurig in den aardhoop.
33De kluiten des dals zijn hem zoet, en hij trekt na zich alle mensen; en dergenen, die voor hem geweest zijn, is geen getal.
13Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!
25De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.
26Zij liggen te zamen neder in het stof, en het gewormte overdekt ze.
12Ik heb gemerkt, dat er niets beters voor henlieden is, dan zich te verblijden, en goed te doen in zijn leven.
13In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.
18Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in den kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen.
16Zij zullen ondervaren met de handbomen des grafs, als er rust te zamen in het stof wezen zal.
25(Want wie zou er van eten, of wie zou zich daartoe haasten, meer dan ik zelf?)
10Alles, wat uw hand vindt om te doen, doe dat met uw macht; want er is geen werk, noch verzinning, noch wetenschap, noch wijsheid in het graf, daar gij heengaat.
12Laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja, geheel en al, gelijk die in den kuil nederdalen;
13Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden.
22En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden.
20
3Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen;
19Zie, dat is vreugde zijns wegs; en uit het stof zullen anderen voortspruiten.
5Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.
2Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds; want in hetzelve is het einde aller mensen, en de levende legt het in zijn hart.
3Het treuren is beter dan het lachen; want door de droefheid des aangezichts wordt het hart gebeterd.
21Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is?
14Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden;
8Maar indien de mens veel jaren heeft, en verblijdt zich in die allen, zo laat hem ook gedenken aan de dagen der duisternis, want die zullen veel zijn; en al wat zal gekomen is, is ijdelheid.
17Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;
19De rechtvaardigen zagen het, en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen;
17Zijn u de poorten des doods ontdekt, en hebt gij gezien de poorten van de schaduw des doods?
27Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het, en bemerk gij het voor u.
13Het hart zal ook in het lachen smart hebben; en het laatste van die blijdschap is droefheid.
24Maar Hij zal tot een aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijn verdrukking?
5Dat het gejuich de goddelozen van nabij geweest is, en de vreugde des huichelaars voor een ogenblik?
15Daarom prees ik de blijdschap, dewijl de mens niets beters heeft onder de zon, dan te eten, en te drinken, en blijde te zijn; want dat zal hem aankleven van zijn arbeid, de dagen zijns levens, die hem God geeft onder de zon.
10Alzo heb ik ook gezien de goddelozen, die begraven waren, en degenen, die kwamen, en uit de plaats des Heiligen gingen, die werden vergeten in die stad, in dewelke zij recht gedaan hadden. Dit is ook ijdelheid.
4Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.
7Onze beenderen zijn verstrooid aan den mond des grafs, gelijk of iemand op de aarde iets gekloofd en verdeeld had.
1Ik zeide in mijn hart: Nu, welaan, ik zal u beproeven door vreugde; derhalve zie het goede aan; maar zie, ook dat was ijdelheid.
1Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij.
23Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gans stil en gerust was;
22Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en des doods schaduwe brengt Hij voort in het licht.
21Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.
162Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.
6En in die dagen zullen de mensen den dood zoeken, en zullen dien niet vinden; en zij zullen begeren te sterven, en de dood zal van hen vlieden.
3Indien een man honderd kinderen gewon, en vele jaren leefde, zodat de dagen zijner jaren veel waren, doch zijn ziel niet verzadigd werd van het goed, en hij ook geen begrafenis had; ik zeg, dat een misdracht beter is dan hij.
6Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.