Psalmen 119:126
Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken.
Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
127Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.
124Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen.
125Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.
20Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
136Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.
137Tsade. HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
156HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.
97Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
26Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.
27Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
118Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.
119Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
113Samech. Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.
166O HEERE! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden.
142Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
78Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.
18Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
27Opdat zij weten, dat dit Uw hand is, dat Gij het, HEERE! gedaan hebt.
72De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver.
73Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.
149Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.
4HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.
84Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers?
85De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.
86Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.
60Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.
61De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.
39Maar Gij hebt hem verstoten en verworpen; Gij zijt verbolgen geworden tegen Uw gezalfde.
13En de HEERE zeide: Omdat zij Mijn wet, die Ik voor hun aangezicht gegeven had, verlaten hebben, en naar Mijn stem niet gehoord, noch daarnaar gewandeld hebben;
106Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid.
95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
139Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn wederpartijders Uw woorden vergeten hebben.
140Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
1Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.
151Maar Gij, HEERE! zijt nabij, en al Uw geboden zijn waarheid.
53Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.
12HEERE! Gij zult ons vrede bestellen, want Gij hebt ons ook al onze zaken uitgericht.
29Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.