Psalmen 119:166
O HEERE! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden.
O HEERE! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
173Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
65Teth. Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
81Caph. Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt.
5Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord.
146Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.
147Ik ben de morgen schemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt.
47En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
41Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging;
74Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb.
55HEERE! des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard.
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
114Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
49Zain. Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.
131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
94Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.
5Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen.
123Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid.
106Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid.
116Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.
60Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.
15Ja, ik ben als een man, die niet hoort, en in wiens mond geen tegenredenen zijn.
7Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdelijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
176Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.
4HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.
5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
6Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.
33He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
127Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.
21Ik zal U loven, omdat Gij mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest zijt.
112Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.
165Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot.
26Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.
101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
20Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.
170Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.
16Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.